Hoe het lieveheersbeest aan zijn naam kwam

In de reeks ‘Christelijk erfgoed in de taal’ ontmoeten we vandaag een schattig wezen, in de kindermond ook wel eens ‘hele-liefs-beestje’ genoemd.

Geen enkel dier –laat staan zo’n klein– heeft meer bijnamen dan het lieveheersbeest. Een greep uit de galerij der koosnaampjes: pimpampoentje, boerinnetje, Jezusjesbeestje, koffiekuikentje, liefvrouwemuisje, lieve marijtje, lievehereminnetje, lievelammetje, mariabeestje.

Lieveheersbeest. © WikiCommons

Lieveheersbeest. © WikiCommons

De wetenschappelijke naam klinkt ook al welluidend: coccinella septempunctata, meer bepaald dus het zevenstippelig lieveheersbeest, een inheemse soort die je vaak ziet. Een heel nuttig diertje trouwens ook, want het voedt zich met schadelijke luizen. De Aziatische soort die geïmporteerd werd om hem in zijn werk bij te staan, is hem langzaam maar zeker aan het verdringen. Dat zijn de vele varianten van meerstippelige tot helemaal zwarte beestjes.

Maar hoe komt die luizeneter nu aan zijn christelijke naam? Volgens Wikipedia heeft het te maken met de kerstening van de Germanen in Europa. De bestaande Germaanse naam voor het kevertje was Freyafugle, vogel van de godin Freya dus. Dat moest blijkbaar aangepast worden.

De vrouwelijke vorm leeft voort in het Duits (Marienkäfer) en Engels (ladybird of ladybug in Amerika). De mannelijke vorm vinden we ook terug in het Frans, waar het kevertje soms bête à bon Dieu wordt genoemd (maar coccinelle is gebruikelijker). De Ierse verbastering daarvan leidt tot het grappige bóín Dé, wat eigenlijk wordt begrepen als Gods koetje. In het Nederlands is het het Onzelieveheersbeestje geworden. Een kind kortte dat af tot heleliefsbeestje. God wordt weer eens weggelaten. De secularisatie zet zich door.