(verschenen in het parochieblad jaargang 25, nummer 2)

Vroeg in de morgen, donker was het nog,
zijn wij gegaan,
een keer, nog in ons hart de dichtheid van de nacht.

Jij bent niet die wij dachten.
Uit het vuur riep ons bij naam een stem.
Wij zagen niets. Jij riep: “Ik zal er zijn”.

Op licht en schaduw, bomen aan de bron,
op stilte leek die naam.
Een gloed van liefde schroeide ons gezicht.

Om wat wij hoorden (maar wat hoorden wij?),
om wat op vrijheid leek,
omdat het moest en blijven niet meer kon,
zijn wij gegaan,
onstuimig en verward, om nergens om, om jou,
om liefde over alle grenzen heen.

Een troep die sloft en zwerft, de richting kwijt.
De nagalm van een stem. De weerklank van wat woorden in ons hart.
Een slingerende stoet naar goed wijd land.
Een eeuwenlang smal pad.
Een ademtocht, de route van het licht.

Het duizendschone schitterende licht,
een file in de nacht,
een spoor van mensen die de nacht verslaan.
Die strompelen tot waar? Tot waar jij bent.
in rusten aan de bron, in gloed van liefde,
vuur dat niet verflauwt.
Vroeg in de morgen, donker was het nog,
zijn wij gegaan, een keer,
met niets dan in ons hart: “Ik zal er zijn.”

Tekst: Huub Oosterhuis


0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *