(verschenen in het parochieblad jaargang 25, nummer 2)

Op 1 februari j.l. was het 22 jaar geleden dat ik als pastor begon in de huidige Titus Brandsmaparochie in Oss. Daarvoor was ik werkzaam binnen het pastorale team van het Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis in Nijmegen i.v.m. ziekte van een van de pastores. Toen deze weer terugkwam, moest ik uitzien naar een andere baan. Ik kwam tot de conclusie dat ik in de tweedelijnszorg wilde blijven werken. Het werken in een parochie leek mij niet aantrekkelijk: een overvloed aan werk en te dicht bij het kerkelijk leergezag. Nee, werken in een parochie viel toen buiten mijn eigen toekomstperspectief. Vlak voordat mijn werk in het ziekenhuis stopte, werd ik onverwachts benaderd door Tjeu Timmermans, de toenmalige Provinciaal van de Karmelorde. Hij vroeg mij of ik als pastor wilde gaan werken in een parochie te Oss, die toevertrouwd was aan de karmelieten. Ik zei onmiddellijk: Ja! Alles in mij, elke cel, antwoordde op dat ogenblik ‘ja!’. Onbegrijpelijk, maar waar. En ik heb daar in al die 22 jaren nooit spijt van gehad.

In deze laatste bijdrage van mij aan het parochieblad, vertel ik u deze ervaring, omdat zij veelzeggend geworden is. In al die jaren dat ik hier onder u werkzaam ben geweest, is er nooit een moment van twijfel in mij opgekomen over ‘mijn’ beslissing, die toch tegen mijn eigen afwegingen en plannen inging. Hoe kan dat? Alles in mijn verstandelijke en gevoelsmatige afwegingen wees immers het werken in een parochie af. Ik had allerlei voor mij doorslag- gevende motieven en intuïties om niet in een parochie, maar in een ziekenhuis verder mijn heil te zoeken. En toch zei ik met hart en ziel: ‘ja!’ Enigszins ondersteboven van mijn antwoord toen, heb ik daar later vaker over nagedacht. Ik kwam daarbij tot de ontdekking dat het ‘ja!’ wat ik toen uitsprak, niet míjn ‘ja’ is geweest. Ik heb op dat moment enkel klank en articulatie gegeven aan een Stem, die onverhoeds maar onweerstaan- baar in mij doorbrak en mij deze richting wees. Dat ‘ja’ bleek voor mij een andere Stem te zijn dan de mijne. Vroeger zou men dat wellicht roeping noemen. Maar ik werd niet geroepen, een Ander besliste voor mij. Het bleek, terugblikkend, het ‘ja’ te zijn van mijn Wezens- bestemming. Maar dat wist ik toen nog niet.

De betekenis van mijn roeping en wezens- bestemming zijn pas gaandeweg in die 22 jaar helder voor mij geworden. Dat gebeurde vooral in het samen vieren met u van de liturgie, in het samen lezen en overwegen van de verhalen uit het Eerste en Tweede Testament, en van (mystieke) teksten uit onze Joods-Christelijke traditie. Doorheen de vele momenten van samen bidden en bezinnen werd het voor mij duidelijk, dat het God zelf was die mijn Wezensbestemming vormde. En dat bleek Hij niet alleen voor mij te zijn, maar ook voor al degenen die aan de gezamen- lijke bezinningsbijeenkomsten deelnamen. Geen zelfrealisatie, geen zelfverlichting, maar een langzame bewustwording van een relatie met een ‘ik weet niet wat’, dat wij God noemen. En telkens als we op die momenten onze eigen concrete levens in het licht van de Schrift en traditie over- wogen, bleek die relatie er al te zijn in ieders leven. Dat wat de kerkleer ons van buitenaf als kennis of catechese aanreikt, blijkt op een heel persoonlijke wijze al mét ieder van ons te zijn, en al(lang) mét ons door het leven te gaan. Dat geeft ons een belangrijk inzicht.
Catechese, liturgie, diaconie en pastoraat schieten tekort om deze Godservaring in ons te wekken en te ontdekken (zij is er immers al), als zij geen oog en oor hebben voor zijn altijd- durende Aanwezigheid in ieder mens en in al wat is.

Dat wij een Karmelparochie zijn, is in die zin ons
grote geluk. Want juist de Karmeltraditie heeft als spirituele ‘eigenheid’ dat zij oog en oor heeft voor die goddelijke aanwezigheid in en onder ons, en om deze te thematiseren in allerlei vormen van liturgie en bezinning, met het oog op het wekken en verdiepen van deze relatie van God en zijn mensen , persoonlijk en als gemeenschap.

Het ‘ja’ dat in mij gewekt werd door de vraag om vanuit deze Karmelspiritualiteit in de Titus Brandsma Parochie te komen werken, was een ‘ja’ van God uit, waar ik helemaal niets tegenin kon brengen. Vanuit dat ‘ja’ heb ik geprobeerd om werkzaam te zijn onder u. Het heeft mij op wonderlijke wijze in goede en minder goede tijden altijd gedragen en gesterkt, en is hopelijk vruchtbaar geworden, daar waar ik het zo min mogelijk heb kunnen hinderen.
Onze wegen scheiden hier, maar één is er die ons altijd zal blijven verbinden, een eeuwige Reisgenoot, Immanuel: God die mét ons is en zal zijn. Dat wij dit gaandeweg mogen ervaren en ons blijvend toevertrouwen aan Hem, opdat Hij verrijzen kan in ons. A Dieu!

P. Leon Teubner.


0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *