De brief van de ministers Schippers en Van der Steur van 14 oktober 2016 over hulp bij zelfdoding bij mensen die hun leven voltooid achten heeft de gemoederen danig beziggehouden en doet dit nog steeds. Deze brief kwam als een grote verrassing en heeft iedereen overvallen. Het kabinet doet in deze brief een voorstel om het mensen die vinden dat hun leven is voltooid mogelijk te maken het leven te beëindigen. De overheid wil gaan regelen dat zo iemand geholpen kan worden en is van plan dit ook wettelijk mogelijk te maken.


*: Koppeling werkt alleen op apparaten met ondersteuning voor Adobe Flash;
overige koppelingen door redactie tbposs.nl.

Inhoud


Voorgeschiedenis

De gedachte om zelf het leven te kunnen beëindigen wanneer men dat wil is niet nieuw. Al in 1991 werd door Drion, raadsheer in de Hoge Raad, het idee gelanceerd om ouderen een soort pil te verstrekken die het hen mogelijk zou maken op een door hen zelf gewenst moment hun leven te beëindigen. Nadien de zogeheten pil van Drion genoemd. Hierdoor kwam de discussie in de samenleving over euthanasie in een stroomversnelling met als uiteindelijk resultaat de Euthanasiewet van 2002. Door deze wet is het artsen mogelijk gemaakt om vrij van strafvervolging actieve levensbeëindiging op verzoek toe te passen wanneer aan een aantal strikte zorgvuldigheidseisen is voldaan. Maar het blijft een ingrijpende en emotioneel belaste opgave voor een arts om een euthanasie uit te voeren. In 2010 werd door het Burgerinitiatief Voltooid Leven de actie Uit Vrije Wil gelanceerd met een voorstel voor een wetsontwerp dat het mogelijk moest maken mensen te helpen met het beëindigen van hun leven bij levensmoeheid. Sindsdien heeft de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie (NVVE) niet nagelaten –onder andere in de jaarlijkse week van de euthanasie– hiervoor met een zekere regelmaat belangstelling te wekken zoals voor ‘de laatste wil pil’. Na een debat in de Tweede Kamer deed de minister de toezegging voor dit controversiële onderwerp een commissie te benoemen. Deze commissie kreeg als opdracht hulp bij zelfdoding te onderzoeken en hierover een advies uit te brengen. Deze commissie, genoemd naar voorzitter Schnabel, bracht na een gedegen onderzoek begin 2016 haar advies uit. De conclusie luidde dat

“het niet wenselijk is om de huidige juridische mogelijkheden inzake hulp bij zelfdoding te verruimen”.

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2016/02/04/rapport-adviescommissie-voltooid-leven/01-adviescommissie-voltooid-leven-voltooid-leven-over-hulp-bij-zelfdoding-aan-mensen-die-hun-leven-voltooid-achten.pdf

Standpunt kabinet

Tot verrassing van velen heeft het kabinet dit advies naast zich neergelegd en wil nu stappen ondernemen om naast de huidige euthanasiewet een wetsvoorstel voor te bereiden om hulp bij zelfdoding juridisch mogelijk te maken. In de brief van het kabinet worden voor hulp bij zelfdoding op indicatie klaar met leven of lijden aan het leven een drietal punten naar voren gebracht en beargumenteerd. Op de eerste plaats speelt het begrip autonomie een centrale rol. Vervolgens wordt de persoon van de stervenshulpverlener geïntroduceerd. Tenslotte wordt het voorstel gedaan voor een apart wettelijk kader om dit juridisch mogelijk te maken.


“Hoe minder de ouderdom
is gezien en aanvaard,
hoe onbekender ook
de echte kinderjaren worden.” 
— (Romano Guardini † 1968)


Autonomie

Bij het verschijnsel klaar met leven speelt het begrip autonomie en zelfbeschikking een centrale rol. In het algemeen wordt hiermee uitgedrukt dat de mens zelf kan beslissen over de manier waarop hij zijn leven kan inrichten. Dit wordt beschouwd als een fundamenteel recht en aangemerkt als een fundamentele waarde. Maar autonomie heeft geen absolute waarde. De mens is per definitie een sociaal en afhankelijk wezen. Dat begint al bij zijn intrede in het leven waar hij niet zelf voor gekozen heeft en de onontkoombare afhankelijkheid bij zijn verdere ontwikkeling. Autonomie kent ook zijn beperkingen want autonome beslissingen mogen anderen niet schaden. Bij de beslissing om te kiezen voor levensbeëindiging wegens klaar met leven komt deze afhankelijkheid duidelijk naar voren. Ook in de brief van het kabinet is dit terug te vinden omdat alleen aan deze wens tegemoet gekomen kan worden door het inschakelen van een derde, een stervenshulpverlener. Ook hier geen sprake dus van absolute autonomie. Degenen die zeggen dat ze zelf over hun leven beslissen en hoe ze hun leven beeindigen, zullen hiervan altijd afhankelijk zijn.

Stervenshulpverlener

Opvallend is de aankondiging van een nieuwkomer in dit hele proces en wel de stervenshulpverlener. Volgens de omschrijving hoeft dit niet per se een arts te zijn, maar kan het behalve een arts ook een verpleegkundige of psycholoog zijn. De stervenshulpverlener zal hiervoor een speciale opleiding moeten volgen, aangeduid als een kopstudie op een medische opleiding. Het gaat dus om een nieuwe beroepsgroep. Dit roept vragen op. Over welke specifieke vaardigheden moet een stervenshulpverlener beschikken om een vraag om hulp bij zelfdoding te kunnen beoordelen en daarover ook nog een beslissing te kunnen nemen?  Heeft de huisarts hierbij nog een rol? Wel wordt nog gesproken over een tweede beoordeling door een onafhankelijke deskundige, maar dit is niet direct noodzakelijk. Het gaat uiteindelijk om mensen, veelal op leeftijd, die naar hun eigen oordeel geen levensperspectief meer hebben met daaruit voortkomend een actieve doodswens. Zeker in die gevallen is het belangrijk om een depressie uit te sluiten, waarvoor de hulp en het oordeel van de psychiater nodig is. De beroepsgroep van psychiaters is hier zeer huiverig voor omdat het oordeel ‘geen depressie’ een vrijbrief kan worden voor hulp bij zelfdoding. De uiteindelijke beslissing wordt dan op het bordje van de psychiater geschoven, vrezen zij. Opvallend is ook dat in de brief van het kabinet met geen woord wordt gerept over een geestelijk verzorger; een deskundige die zeker in de laatste levensfase een belangrijke steun kan zijn.

Wettelijk kader

Het kabinet kiest ervoor om naast de huidige euthanasiewet een aparte wet in het leven te roepen voor hulp bij zelfdoding bij lijden aan het leven. Ook dit roept vragen op. Hoe zal de verhouding zijn tussen de bestaande euthanasiewet en de aangekondigde wet? Volgens welke wet kan hulp bij zelfdoding worden verleend wanneer iemand vindt klaar te zijn met leven maar daarnaast ook medische problemen heeft? Het is maar de vraag of dan de scheidslijnen tussen twee wetten over eenzelfde onderwerp duidelijk te bepalen zijn. Volgens het kabinetsvoorstel zal de toetsingsprocedure naar analogie van de huidige euthanasiewet door een toetsingscommissie moeten worden beoordeeld. Of moet er een andere commissie komen die bij deze nieuwe wet past? Ook is, volgens de huidige euthanasiewet, een verplichte consultatie van een SCEN-arts noodzakelijk –zoals aangegeven in de zorgvuldigheidseisen– die in acht moet worden genomen. In het voorstel van het kabinet over hulp bij zelfdoding wordt een SCEN-arts niet genoemd. Blijkbaar gelden hier dus andere zorgvuldigheidseisen.

Tenslotte

Men kan er niet omheen dat de vraag naar actieve levensbeëindiging bij ouderen, die vinden klaar te zijn met leven of lijden aan het leven, de samenleving bezighoudt. Ook in de media is hiervoor volle aandacht, waarbij regelmatig mensen aan het woord komen die met deze vragen worstelen en waarbij vooral de nadruk wordt gelegd op de autonomie: ‘ik beslis zelf over mijn leven’. Het is begrijpelijk dat deze wens wordt geuit als reactie op de leefsituatie waarin ouderen terecht kunnen komen. Zoals: het leven heeft geen zin, geen betekenis meer, toenemende zorgafhankelijkheid, vereenzaming, verlies van dierbaren enzovoorts. Het is invoelbaar dat dit tot gevolg heeft dat ouderen het kunnen ervaren als een uitzichtloos of een ondraaglijk lijden aan het leven. Dat hierbij de vraag naar hulp bij zelfdoding naar voren kan komen, ook als er geen medische reden voor is zoals een ernstige ziekte of aftakeling. Maar volgens de Commissie Schnabel gaat het hier slechts om een klein aantal mensen met een actieve doodswens. De commissie heeft ook benadrukt dat er in Nederland geen recht op euthanasie bestaat en geen plicht voor een arts om euthanasie te verlenen. Waar gaat het eigenlijk om? Gezien de aard van de klachten van ouderen met een doodswens heeft de samenleving in feite de verplichting om hieraan extra aandacht te besteden bijvoorbeeld door ouderen niet te isoleren, sociale contacten te stimuleren, hen meer te betrekken bij bepaalde activiteiten en vooral ook het gevoel te geven dat ze er mogen zijn, erbij horen.

De tijdgeest

De tijdgeest is echter moeilijk te veranderen. In onze samenleving met een toenemende individualisering en waarin men geacht wordt voor zichzelf te zorgen moet men ook steeds meer zelf alles onder controle houden en over alles zelf beslissen. Steeds minder wordt geaccepteerd dat ongemakken en mankementen nu eenmaal bij het leven horen, zeker bij het ouder worden. Dit moet ook worden geaccepteerd bij ziekten die ons overkomen. Nog steeds worden het leven zelf en een goede gezondheid beschouwd als het hoogste goed, gezien de vele inspanningen die we ons getroosten op het gebied van de gezondheidszorg en de medische behandelingsmethoden. Des te merkwaardiger is het dat deze waarden zo anders worden beoordeeld als het om de ouderdom gaat. Dan lijkt het leven minder waard te worden en gaan ouderen zich overbodig voelen, zeker als wordt gesuggereerd dat ze een steeds grotere kostenpost vormen voor de samenleving. Als dan steeds meer gesproken wordt over actieve levensbeëindiging, kan dit worden ervaren als bedreigend en voelen ouderen zich niet meer veilig.

Hellend vlak

Men kan zich niet aan de indruk onttrekken dat wij ons steeds meer op een hellend vlak bevinden als het gaat om respect voor de waarde van het leven. Dat het kabinet nu met deze brief is gekomen kan gezien worden als een antwoord op bepaalde gevoelens in de samenleving en een tegemoetkomen aan bepaalde politieke opvattingen. Als er inderdaad een wet komt die hulp bij zelfdoding wettelijk mogelijk gaat maken zal er zeker een spanning ontstaan tussen ethiek en wet. Ethische vragen zullen blijven bestaan ook al is het wettelijk geregeld.

Over de auteur

Dr. V.G.H.I. Kirkels is als gynaecoloog werkzaam geweest in het St. Annazieken­huis te Oss (het huidige Bernhoven). Daarnaast part-time univer­sitair docent Radboud Universiteit. Was tien jaar voorzitter van de Medisch Ethi­sche Commissie van ziekenhuis Bemhoven. Momenteel is hij redactielid en voorzitter van de Redactieraad van het Tijdschrift voor Gezondheidszorg en Ethiek.


Geef een reactie