In 1959 werd in het Groningse Slochteren de eerste aardgasbel gevonden. Later gevolgd door nog meer gasvelden. Met de ene hand werden de kolenmijnen gesloten maar met de andere hand kon de gaskraan worden open gedraaid. Een onuitputtelijke bron van inkomsten dacht men, die ook nog eens weinig moeite vergde, geen vuile handen gaf en geen longemfyseem veroorzaakt. Toen een fijnmazig netwerk van aardgasleidingen de productie in de jaren zeventig helemaal op stoom bracht, werden we gek van geluk.

Weergave van ontwikkeling aardgasbaten 1969-2014 — CBS Statline

Gek van geluk. We dachten dat deze gratis inkomstenbron onuitputtelijk was en we vonden dat iedere Nederlander van die meevaller moest kunnen meeprofiteren. De zwakste voorop. Maar al snel drong bij elk van ons door dat je maar het beste zwak kon wezen. En waren we allemaal ook niet in enig opzicht onder te brengen bij een categorie zwakken?

Nog tot in de jaren zestig was zorg voor de minderbeelden een kwestie van liefdadigheid. We kennen onze Caritas Instellingen, Vincentiusvereniging, Diaconie. Dat waren ook niet in alle opzichten bronnen van geluk maar je kon er materiële ondersteuning vinden. Wie in die jaren niet kon werken had grote pech en werd gedwongen te blijven werken tot hij er bij neerviel. Pensioenen waren nog maar in op komst en we waren nog maar kort gewend aan de AOW. Of je kon gaan studeren lag niet aan je capaciteiten maar aan de portemonnee van je ouders. Gezondheidszorg was nog beperkt bereikbaar, we waren op mantelzorg aangewezen. We waren wel aan een beetje méér welvaart toe, vonden we. En terugkijkend op de jaren voor de aardgaswinsten, kun je beamen dat het toen ook wel behelpen was.

Maar omdat het niet óp lijkt te kunnen door die extra inkomsten, vinden we dat we ook niet op een prei moeten kijken als we toch aan het gratis potverteren slaan. De Bijstandswet wordt ingevoerd waardoor je altijd recht op inkomen hebt. Ook arbeidsgehandicapten en arbeidsongeschikten kregen levenslang recht op inkomen en de normen om daarvoor in aanmerking te komen werden met het jaar soepeler.

Minister President Lubbers vroeg zich vertwijfeld af wat er toch aan de hand was want heel Nederland leek ziek geworden en niet meer in staat tot werken. Er is zelfs een serieuze discussie gevoerd of mensen die niet wilden werken maar het wel konden of we die dan ook maar niet met een uitkering op de bank moesten laten liggen. Een pensioenuitkering bovenop je AOW werd voor iedere Nederlander bereikbaar. En niet alleen militairen maar o.a. ook onderwijsmensen konden met 55 met pensioen. Studenten kregen studiebeurzen en konden ongestraft over hun studie zo lang doen als ze wilden en kregen openbaarvervoerkaarten waardoor ze gratis overal naar toe konden. In het soort werk konden we kieskeurig zijn. Werk wat ons te smerig en te belastend leek, konden we weigeren. Daarvoor werden gastarbeiders ingevlogen. En later ook hun vrouw en kinderen. We hadden gratis geld in overvloed.

En we staan er dan nog niet bij stil dat we intussen ook de generatie NIXS (“Generation X”) aan het opvoeden zijn. Jonge mensen die niet beter weten dan dat geld uit de muur te halen is. Gepind moet worden. Relatie kwijt met werken. Relatie kwijt met inspanning; met verantwoordelijkheid. We zijn ook niet langer aangewezen op elkaar voor zorg en inkomen. We denken recht te hebben op het volmaakte geluk en als het uitzicht daarop een beetje verduisterd wordt door een langer durende depressie, wachten het betere weer niet af en gaan uit elkaar.

Dezer dagen kwam op het nieuws dat in Nigeria eenzelfde geschiedenis geschreven werd met de overweldigende olie-inkomsten als bron van zorgeloosheid. Er was geen noodzaak om werk te maken van werkgelegenheid want het gratis geld stroomde toch wel binnen. Alle aandacht kon worden gegeven aan het bestuderen en bestellen van de nieuwste automodellen en het leiden van een leven van ongebreidelde luxe. Niemand die zich zorgen maakte om de dag van morgen. Waarom zou hij ook. Nu de olieprijzen daalden en dus ook de gratis inkomsten ontstond er een probleem dat men maar erg moeilijk kon “handelen”. Niet toevallig dat het grootste stroom van economische gelukzoekers uit Nigeria komt. Niet op zoek naar werk maar naar inkomen.

In Nederland was het niet anders. De taken die voorheen door vrijwilligers, mantelzorgers, liefdadigheid en kerken werden uitgevoerd, werden van hen afgepakt en werden taken van de overheid of in ieder geval door de overheid betaalde taken. Grootouders werden betaald als ze op hun kleinkinderen pasten. Kinderen werden betaald als ze hun ouders of familieleden verzorgden of zelfs maar aandacht gaven. Er kamen bureautjes die voor allerlei vrijwilligerstaken van vroeger, subsidie wisten te vinden op basis van minimaal 25% voor mij en 75% voor de uitvoerders. En als er iets moest gebeuren was de reactie van jong en oud al snel “Wat schuift het?”.

Nederland subsidieland bestond slechts uit producenten die tegen betaling leverden en de anderen waren consumenten die ook moesten hebben wat ze anderen zagen hebben. Dat drong zelfs in een tafelgebed door “Want waarom Hij wel en wij niet, wij zijn toch ook mensen?” Liefdadigheid gesubsidieerd recht voor iedereen.

Ook de kerken stonden weinig kritisch tegenover het consumentisme dat gemeengoed aan het worden was. Elke poging om een beetje kritisch te volgen of die subsidiestroom en stroom van toeslagen wel nodig was en goed terecht kwam, werd afgedaan als een minderwaardige manier van (staats)wantrouwen. En wie voelde er nu pijn van een beetje oneigenlijk gebruik? Er was genoeg

Natuurlijk waren er vanaf het begin ook mensen zoals de club van Rome die waarschuwden dat consumeren consuminderen moest worden, dat we op duurzaamheid moesten letten en ons milieu en onze aarde niet moesten uitputten. Mensen ook die wezen op noodzaak om te onthaasten omdat we onszelf en elkaar voorbij hollen en dat het op die manier geen leven is. Mensen die aandacht vroegen voor de slachtoffers van onze welvaart. Daar heeft ook De Roerom haar bescheiden partijtje in mee geblazen.

Maar die boodschap drong pas door toen aardbevingen in Groningen het noodzakelijk maakten de aardgaskraan een beetje dicht te draaien waardoor de gratis inkomsten gingen minderen en er een eind in zicht komt aan Nederland luilekkerland. Dat drong pas helemaal door toen de banken door de mand vielen, die ons geld hadden laten lenen zonder voldoende onderpand. Banken die ons overhaalden om alvast geld uit te geven wat we nog moesten verdienen. Men vond dat geen risico. Voor het afdekken van risico hadden we tot voor kort immers de inkomsten van het gas.

De jaren van leef maar raak, zijn voltooid verleden. Dat begint zo langzamerhand bij elke Nederlander wel door te dringen. Maar dat het anders moet wordt te vaak beleefd alsof ons iets wordt afgepakt. Bovendien vinden heel veel mensen het te gek voor woorden dat zij zelf moeten zorgen voor de opvang van hun kinderen en dan ook nog eens moeten bijdragen in de zorg voor hun ouders. Afbraak van een menswaardig samenleven, schreeuwen velen ontevreden.

Ik beleef deze tijd als een tijd waarin we weer iets terugkrijgen wat we – verblind door te veel gratis welvaart – uit het oog aan het verliezen waren : namelijk elkaar.

Kerken zijn geen plekken waar je vooral iets kunt komen halen. Kerken zijn er om elkaar iets te brengen. Natuurlijk hebben kerkmensen zich ook bezondigd aan de gekte van onze consumptiemaatschappij. Maar we zijn tegelijkertijd een verzetsgroep gebleven of geworden. Want vanuit de kerken werd altijd wel gepredikt dat we elkaar niet uit het oog moesten verliezen. Dat bracht een verzetsgroep van vrijwilligers op de been of hield die op de been, die veel groter is dan de mensen die als zodanig in het zicht komen. Stille, onopgemerkte vrijwilligers ook. Een grote groep mensen die tegenwicht biedt.

Hoeveel van ons zijn er niet in de weer met zieken, gehandicapten, eenzamen in mantelzorg of verenigingen als de Zonnebloem. Hoeveel van ons niet in terminale thuiszorg of bijna thuis huizen. Bij slachtofferhulp. Hoeveel van ons niet bij schuldhulpverlening of maatje van mensen die slachtoffer geworden zijn van die consumptiemaatschappij die hen in een worggreep kreeg omdat ze er niet mee kunnen omgaan. Hoeveel van ons niet in jeugdzorg en als vrijwilliger in sportverenigingen. Hoeveel van ons zijn niet in de weer met zorg voor vluchtelingen en een eerlijker verdeling van wereldhandel (fair trade en wereldwinkel) en bewustmaking van duurzaamheid en ons consumptiegedrag. Hoeveel zijn er niet in de weer om een plaats van geloof en een hoop liefde open te houden en tot een ontmoetingsplek te maken waar we elkaar kunnen inspireren met bemoedigende woorden, zang en muziek. Een plek van gastvrij ontvangen en elkaar vasthouden. Kerk ben je, geloven doe je, NIET omdat er iets te halen valt maar omdat je er iets te brengen hebt. Het schuift wel maar dan naar een ander toe.

Als de ander uit beeld raakt, raakt ook de Ander uit beeld. Niet langer nodig. Alleen maar ballast. Als dat een wetmatigheid is, dan gaan we als kerken nog wat beleven. Veel mensen zullen nog wel een tijdje ontevreden blijven zoeken of niet toch hun verblijf in Luilekkerland verlengd kan worden. Maar binnen afzienbare tijd zal bij iedereen het besef doordringen dat we niet zonder elkaar kunnen. Dan zal niet onze onstilbare consumptiedrang langer luidruchtig om aandacht schreeuwen, maar hervinden we weer het stille genieten van elkaar en het wonder van het leven. Krijgen we weer oog voor de Ander in elkaar.

Henk Peters


Henk Peters

Henk Peters

Henk Peters is sinds 2016 vice-voorzitter van het parochiebestuur van de Titus Brandsma Parochie Oss. Meer informatie »

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *