De Tweede Kamer heeft zich 13 september 2016 uitgesproken over de donor­ wet. Deze Wet op de orgaandonaties, een initiatief van D66, is met de minimale meerderheid van één stem – 75 vóór, 74 tégen – aangenomen. De bedoeling van deze wet is aantal en beschikbaarheid van donororganen te verhogen zo­ dat de wachtlijsten van hen die op een donororgaan wachten kleiner worden. Maar is dat wel zo?


*: Koppeling werkt alleen op apparaten met ondersteuning voor Adobe Flash;
overige koppelingen door redactie tbposs.nl.

Inhoud


Voordat de bestaande Wet op Orgaandona­ties van 1996 werd aangenomen en deze in 1998 in werking trad, bestonden er al zo­geheten donorcodicils, waarin mensen die na hun overlijden organen wilden doneren dit in een codicil konden laten vastleggen. Maar dit was wettelijk niet goed geregeld.
Uitgangspunt van de nieuwe donorwet is dat iemand actief moet aangeven of hij na zijn overlijden al of niet donor wil zijn. In het al bestaande donorregister wordt dan de wil van de betrokkene vastgelegd ten aanzien van orgaan- en weefseldonatie na overlijden. In dit systeem ligt de beslissing over al of niet doneren volledig bij de be­trokkene. In de nieuwe donorwet wordt de beslissingsprocedure anders geregeld. De overheid gaat iedereen de vraag voorleggen of hij of zij donor wil zijn. Het antwoord ja
of nee wordt vastgelegd. Wanneer iemand na een herhaalde oproep niet reageert of niets invult op het door de overheid toe­ gestuurde formulier krijgt hij achter zijn naam de vermelding ‘geen bezwaar’ en wordt hij automatisch als donor aange­merkt. In dit geval kunnen de nabestaan­den, als ze het er niet mee eens zijn, nog bezwaren noemen die dan wel worden ge­accepteerd en gerespecteerd.

Stemming Tweede Kamer

Er zijn nogal wat kanttekeningen te ma­ken bij deze wet. De nieuwe donorwet is in de Tweede Kamer aangenomen na hoofdelijke stemming. Dit wil zeggen dat de Kamerleden niet gebonden waren aan een partijdiscipline. De stemming is keu­rig volgens de democratische regels verlopen en de wet is met één stem meer­derheid aangenomen. Dit dankzij het feit dat één Kamerlid – een verklaard tegen­stander van de wet – niet tijdig aanwe­zig kon zijn. Nader beschouwd betekent dit dat op grond van hun persoonlijke mening in feite de helft van de Kamer­leden voorstander en de helft tegenstan­der is van deze wet. Wanneer er bij een stemming in de Tweede Kamer evenveel voor- als tegenstemmers zijn, is volgens de procedure het voorstel verworpen. Als men dus naar de intenties van de Kamer­leden kijkt zou het wetsontwerp verwor­pen moeten zijn. Volgens de regel van de helft plus één is de wet nu weliswaar aangenomen maar in feite niet in over­eenstemming met de bedoeling van de Kamerleden. De conclusie moet zijn dat de helft van de Kamerleden het er niet mee eens is maar het wel moet accepte­ren. Een merkwaardige situatie!

Hersendoodcriterium

Een punt dat van verschillende kanten wordt ingebracht heeft te maken met de procedure van de orgaandonatie waarbij gewezen wordt op de emotionele bezwaren voor de nabestaanden. Hierbij speelt het criterium hersendood, dat momenteel als maatgevend wordt aangenomen, een rol. Het gaat dan om de vraag: wanneer is ie­mand echt dood? Is dood wel dood? In het verleden werd de dood vastgesteld aan de hand van het niet meer aanwezig zijn van ademhaling en hartactie. Door de verbeter­de technische mogelijkheden en modernere apparatuur, die nu ter beschikking staan, is het mogelijk om vast te stellen of er nog hersenactiviteit is. Is er geen activiteit meer meetbaar dan wordt volgens het her­sendoodcriterium iemand dood verklaard ook als er nog ademhaling, al of niet door beademing ondersteund, of hartactie is.
Wanneer dan de procedure voor orgaan­donatie in gang wordt gezet moet dit vrij snel gebeuren. Voor de nabestaanden is dit moeilijk te accepteren. Naasten zullen dan afscheid moeten nemen van hun geliefde met een nog kloppend functionerend hart, van wie het lichaam nog warm aanvoelt.
Accepteren dat hun geliefde is overleden kan dan extra zwaar zijn. Bovendien is er ook niet veel tijd om afscheid te nemen omdat de procedure voor het uitnemen van de organen, dat op een operatiekamer moet gebeuren, snel in gang gezet moet worden.
Dit klemt temeer omdat het hier vaak gaat om jongere en gezonde mensen die door een ongeval of hersenbloeding om het le­ven zijn gekomen. Als dan bijvoorbeeld organen als hart en longen voor transplan­tatie worden uitgenomen, zullen deze or­ganen na transplantatie nog langere tijd blijven doorleven in het lichaam van de ontvanger. Dus van de oorspronkelijke donor die is overleden blijft dan nog een ge­deelte doorleven. Dit geldt ook voor andere weefsels. Is hersendood dan maar gedeelte­lijk dood?

Integriteit van het lichaam

Een belangrijke vraag is of door het uit­nemen van organen bij een overledene de integriteit van het lichaam geen geweld wordt aangedaan. Eerbied voor de integri­teit van het menselijk lichaam is een groot goed. Dit is zelfs vastgelegd in artikel 11 van de Grondwet dat als volgt luidt:

Iedereen heeft behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen recht op onaan­tastbaarheid van zijn lichaam.

De wetge­ver hecht dus veel waarde aan de integri­teit van het lichaam, ook aan de integriteit van het lichaam van de overledene zoals bij de parlementaire behandeling van ar­tikel 11 van de Grondwet nog eens werd
benadrukt en ook in de Wet op de Lijk­bezorging is omschreven. Bij de nieuwe donorwet wordt hieraan in zekere mate voorbijgegaan. Wanneer iemand, om wel­ke reden dan ook, niet heeft gereageerd op de vraag of hij wel of niet donor wil zijn na zijn overlijden wordt hieruit automa­tisch geconcludeerd dat hij geen bezwaar heeft tegen het doneren van zijn organen terwijl hij hiervoor niet expliciet toestem­ming heeft gegeven. De overheid kan daar dan wel volgens de nieuwe Donorwet over het lichaam beschikken hoewel dit niet strookt met artikel 11 van de Grondwet. Dit geldt zeker als er geen nabestaanden of een wettelijk vertegenwoordiger is die daartegen bezwaar kunnen maken.

Toerekenbaarheid

Een probleem dat zich zeker zal voordoen is het gegeven dat een niet onaanzienlijk deel van de bevolking niet zal reageren op de vraag van de overheid om al of niet do­nor te willen zijn omdat ze daartoe sim­pelweg niet in staat zijn. Dit geldt voor de 250.000 analfabeten die ons land telt. Bovendien is een behoorlijk groot deel van de bevolking – geschat op 2,5 miljoen mensen – laaggeletterd, van wie men kan verwachten dat ze niet
zullen reageren op een oproep van de overheid omdat ze moeite hebben
met teksten lezen en deze niet begrij­pen. In deze gevallen gaat de over­heid dan wel beschikken over het li­chaam van de overledene als de nabestaanden hiertegen geen bezwaar ma­ken. De persoon zelf heeft hiervoor dan niet expliciet toestemming gege­ven met als gevolg dat in deze geval­len door de overheid de integriteit van het lichaam geweld wordt aangedaan. Ditzelfde geldt ook voor mentaal ge­handicapten die niet in staat zijn om hun eigen situatie goed te beoorde­len en als gevolg hiervan niet kunnen besluiten of ze wel of niet donor willen zijn. Ook zal het een probleem opleveren voor degenen die de Neder­landse taal onvoldoende machtig zijn zoals vele nieuwe Nederlanders. Met een goede en intensieve voorlichting kan een deel van deze problematiek wel worden ondervangen, maar er zal altijd een groep overblijven die niet bereikt kan worden.

Conclusie

Bij het aannemen van deze donorwet zijn meerdere vraagtekens te plaat­sen. Dat de helft van de Kamerleden zich op grond van persoonlijke keu­ze niet achter deze wet kan plaatsen, spreekt boekdelen. De vraag is dan gerechtvaardigd of er in de samen­leving wel voldoende draagvlak zal
zijn waarmee men rekening zal moe­ten houden. 

Intussen is de vraag naar donororga­nen nog steeds groeiende. Het zou mooi zijn wanneer er geen wacht­lijsten meer waren. Te veel mensen die een donororgaan nodig hebben moeten hierop nu te lang wachten. Dat deze donorwet een serieuze po­ging is om aan deze vraag tegemoet te komen is zeer te waarderen. Het doneren van organen kan zeker ge­zien worden als een daad die hele­maal past binnen een daad van naastenliefde, maar er zijn zeker vraag­ tekens te plaatsen of met deze wet de juiste weg wordt bewandeld. De overheid legt nu wel een grote claim op het lichaam van een overledene.

Door een vorm van automatisme te introduceren wordt de vrijheid om al of niet een heldere en duidelijke beslissing te nemen aangetast. Geen keuze kunnen of willen maken is niet hetzelfde als toestemmen. Het moet een teken aan de wand zijn dat na het aannemen van deze wet in de Tweede Kamer meer dan 22.000 per­ sonen zich uit het donorregister heb­ben laten uitschrijven.

Het is duidelijk dat het kernprobleem draait om een botsing tussen twee
verschillende benaderingen. De eer­ste heeft als uitgangspunt het leed van hen die wachten op een donor­orgaan; de tweede benadering maakt zich vooral zorgen over een inbreuk op de vrijheid van beslissen en het aantasten van de integriteit van het lichaam. Hiertussen moet een goede
middenweg worden gevonden.


Vincent Kirkels

Vincent Kirkels

Dr. V.G.H.I. Kirkels is als gynaecoloog werkzaam geweest in het St. Annazieken­huis te Oss (het huidige Bernhoven te Uden). Tevens was hij univer­sitair docent aan de Radboud Universiteit te Nijmegen en tien jaar voorzitter van de Medisch Ethi­sche Commissie van ziekenhuis Bemhoven. Tot januari 2018 was redactielid en voorzitter van de Redactieraad van het Tijdschrift voor Gezondheidszorg en Ethiek.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *