Jezus en zijn leerlingen zijn in het hoge Noorden van Israël, in de streek van Caesarea Filippi. Dat hoorden we vorige week.

Daar beleed Petrus: Jezus, U bent de Christus, de Zoon van de levende God. Petrus krijgt een compliment van Jezus: Jij bent een kei van een gelovige! Tevens krijgt hij de opdracht om de gemeenschap van de kerk op te bouwen. Petrus is echt een man van geloof in Jezus. Maar voor hoelang?

Nu Jezus zich geroepen weet als de Christus, de Gezalfde, de Messias, beseft Hij dat Hij dat moet gaan waar maken voor de joodse leiders in Jeruzalem. Hij weet dat dat een moeilijke opgave is. Net als de profeet Jeremia het moeilijk vindt zijn ambt als profeet uit te oefenen is het voor Jezus moeilijk om te verkondigen dat het Rijk van God met Hem begint.

Als Jezus later als koning op een ezel Jerusalem binnen rijdt zullen de joodse leiders hem uitlachen, als hij aan het kruis hang zullen ze Hem bespotten. Als de kleine groep leerlingen na zijn verrijzenis bijeen blijft en zal uitgroeien tot de kerkgemeenschap, zullen ze vervolgd worden.

Maar of Jezus wil of niet: Hij moet van binnenuit zijn roeping volgen. Hij moet van het veilige Noorden naar het levensgevaarlijke centrum van Jerusalem gaan. Hij mag het verlies van zijn leven niet schuwen. Omwille van het Rijk van God moet Hij zijn leven in de waagschaal stellen.

En ook – ver van Jerusalem – moet Hij zijn leerlingen vertellen wat het betekent met Hem mee te gaan. Ook nu weer reageert Petrus als eerste: Om Gods wil, zo iets mag u nooit overkomen! Maar Jezus ervaart de moeilijke weg juist als de wil van God!

De weg van lijden, kruis en verrijzenis, IS zijn weg.

Nu krijgt Petrus geen compliment, maar een berisping.

“Je loopt me voor de voeten, ga achter mij aan lopen”.

Die berisping is tegelijkertijd een roeping om Jezus op die moeilijke weg te volgen. Dat geldt voor alle leerlingen:

als je mij wilt volgen, zul je een kruis te dragen krijgen;

als je eigen leven wil redden, zul je het verliezen;

wie zijn leven durft te verliezen omwille van Mij zal het vinden.

Dat geldt voor alle leerlingen. Van toen en van vandaag. Ook voor ons ons.

Redden – verliezen – vinden. Wat moeten wij met die woorden aan?

Is dat nu de kern van het christen zijn: je eigen leven niet redden;  het te durven verliezen om het nieuw terug te ontvangen? Het is inderdaad de kern van het christen zijn: je kunt je zelf niet in leven houden, je moet je toevertrouwen aan God, gelóven is overgave aan God. Christen willen zijn is een moeilijke keuze in onze dagen.

Veel mensen stellen hun hoop op de maakbare samenleving.

Maar ze zien voorbij aan de mislukkingen daarvan.

Anderen stellen hun hoop op zelfontplooiing en het ontwikkelen van een ik – gericht leven. Mijn geluk gaat boven alles.

Weer anderen willen autonome en vrije mensen zijn die over hun eigen leven willen beschikken zonder rekening te houden met anderen.

Voor het kwetsbare, het onvolmaakte, voor de het kansloze, voor het mislukte leven van anderen hebben zij geen oog. De levens van miljoenen mensen tellen voor hen niet.  Toch wordt gezegd: déze levens zijn kostbaar in Gods ogen.

De kleinste wordt verheven. De minste wordt geteld. De kreet van de wanhopige wordt gehoord. Hen komt de Messias redden en bevrijden.

In de evangelie verhalen horen wij dat  Jezus bij die mensen gevonden wordt en dat wie Jezus achterna gaat komt bij die mensen uit.

De vraag is: als wij christen willen zijn, willen wij daar dan heen?

Hoe kunnen we de verhalen van Jezus die doven doet horen, lammen doet lopen, blinden doet zijn, die aan armen het Rijk Gods verkondigt, die brood breekt en deelt, hoe kunnen wij al die verhalen beluisteren zonder geraakt te worden?   En als we tot in ons hart  geraakt worden dan kunnen we toch niet anders dan …… Jezus volgen.

Het hemels feestmaal dat ons beloofd is begint bij de voedselbank. Het duurzame geluk begint bij het hier en nu delen van hen die tekort komen. De eeuwige vrede waarnaar we verlangen begint met de vergeving van mensen die ons tekort gedaan hebben. Het uitzicht op toekomst begint waar wij kansloze mensen perspectief bieden. De genezing van zieken begint waar wij hen aandacht geven en moed inspreken.

De vernieuwing van de wereld begint wanneer wij in onze omgeving de nood van mensen zien en hen helpen. De nieuwe wereld breekt soms in volle glorie door de oude wereld heen wanneer wij het kruis van Jezus dragen en delen in de kracht van de verrijzenis.

Waar mensen alleen voor zichzelf leven zullen we de rijkdom van het leven nooit bereiken. Ook de allerrijksten willen meer ten koste van de gewone man.

Waar mensen elkaars nood verstaan en ten dienste van elkaar willen leven daar bloeit nieuw leven op in schoonheid, goedheid en dankbaarheid.

Daarvan mogen we zeggen: hier is God aan het werk.

In de ik-gerichte wereld van vandaag waarin wij leven hebben christenen de opdracht te tonen dat mensen geroepen zijn voor elkaar te leven.

Samen vormen christenen de kerk die aan de samenleving vóórleeft dat het anders kan: dat er een wereld mogelijk is waarin mensen willen leven en werken met het oog op andermans geluk.

Misschien denkt u wel: als dit christen zijn is, dan is dat een Godsonmogelijke opdracht. Wil ik dat wel?

De profeet Jeremia zegt: “Soms denk ik: ik wil er niets meer van weten,

ik spreek niet meer in Gods naam. Maar nu God mij geraakt heeft, lukt het mij niet om te zwijgen”.

Jezus die vluchtte voor de joodse overheden, ervaart dat Hij de Christus is, de redder en bevrijder van mensen uit allerlei kleinhoudende en knellende banden.  Door God geraakt, kan Hij niet zwijgen.

En wij…. als wij ons zelf loslaten en ons vasthouden aan Jezus, als wij zijn kruis mee dragen, dan zullen wij delen in de heerlijkheid van het verrezen leven. Door God geraakt, wordt christen zijn een mogelijkheid de God ons geeft.

We moeten er wel zelf voor kiezen.


0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *