Over twee weken begint alweer de 1eAdvent.
Advent betekent: komen.
Het gaat om de komst van God in de mens.
Dat klinkt mooi en aantrekkelijk.
Maar vlak voor deze voorbereidingstijd op Kerstmis
klinken er altijd onheilspellende beelden in het evangelie.

Het zijn beelden die ons mensen angstig kunnen maken,
voor wat er met de wereld gebeuren gaat,
wanneer we Jezus horen zeggen:

‘Na die verschrikkingen in die dagen
zal de zon verduisteren
en de maan zal geen licht meer geven;
de sterren zullen van de hemel vallen
en de hemelse machten zullen wankelen.’

Het lijkt te gaan om iets wat zich buiten ons afspeelt.
Er is sprake van dreigende tekenen aan zon, maan en sterren.
Het lijkt wel te gaan over het einde van de wereld,
dat gepaard gaat met aardbevingen, strijd en oorlogen,
zeeën die het land zullen overstromen,
en de mensen zullen omkomen in grote getale.
Datgene wat dagelijks via de media tot ons komt.

 Maar als Jezus spreekt over ‘Die verschrikking in die dagen’,
Bedoelt Hij de aanwezigheid van een afgodsbeeld in het heiligdom.
Het heiligdom is de plaats waar God woont onder zijn volk.
De plaats van Gods inwoning is bij Jezus niet een tempel of een kerk,
maar vooral ons innerlijk, het hart van iedere mens.

Het plaatsen van een afgodsbeeld in Gods heiligdom, in ons hart,
staat voor het innerlijk alle ruimte geven aan dat wat niet-God is,
maar wat steeds weer hardnekkig bezit neemt van ons,
dat gaat heersen als een eisende begeerte voor iets geschapens,
en zo de plek gaat innemen van onze liefde voor God.

Dát is de verschrikking die Jezus steeds weer ziet gebeuren.
Het verhaal van vandaag vertelt wat daarvan het gevolg zal zijn:
Onverwachts, niemand weet het uur, zal God komen ín   ons leven.
Hij zal komen om zijn rechtmatige plek op te eisen in ons hart.
Hij zal komen om ons daar te maken tot zijn Mensenzoon,
tot zijn bruid, tot het lichaam van Christus, zijn Gezalfde.

Het verhaal vertelt in die zin niet over het einde van   tijd,
maar enkel over het einde van ‘n bepáálde  tijd,
namelijk het einde van de tijd van onze afgoden, onze hemelse machten,
die steeds weer ons hart in bezit nemen en over ons heersen.
Daarom kijkt Jezus ernaar als naar een positief gebeuren.

Want Hij vergelijkt deze komst van God met de komstvan de zomer,
welke te herkennen is aan het uitbotten van de vijgenboom:

‘Wanneer zijn twijgen zacht worden en beginnen uit te botten,
weet ge dat de zomer in aantocht is.’

En met dit beeld verwijst Jezus naar het Bijbels Hooglied,
waarin de liefdesrelatie tussen God en mens wordt verbeeld
als een liefdesrelatie van een bruidegom en zijn bruid.

Luisteren we nog maar eens naar dat Bijbels Hooglied,
waarin Gods komst prachtig wordt verwoord door zijn bruid:

“Hoor, daar komt mijn liefste.
Hij springt over de bergen,
danst over de heuvelen.

Hij buigt zich lief naar mij en zegt:
‘Sta op, mijn liefste, mijn mooiste,
kom!

De winter is voorbij, de regen is verdwenen,
de bloesem laat zich zien in het land.
De tijd van zingen is nabij,
de tortel laat zich horen in het land,
de vijgenboom kleurt zijn jonge vijgen,
de wijnrank geurt in volle bloei.

Sta op, mijn liefste, mijn mooiste,
kom!”

Deze komst van God in ons hart zal zeker gebeuren,
al is het met onze laatste zucht.
Dus waarom zouden we ons niet voorbereiden op zijn komst?
Dit kunnen we doen door Hem te gaan zien en beminnen
in álles wat Hij ons geeft in ons leven, om het even goed of kwaad.

Waarom zouden we toch bang zijn om in relatie te treden met Hem,
die zeker komt, zoals de liefde van een bruidegom tot zijn bruid?

Laten we elke dag proberen mee te bewegen met onze Bruidegom,
want de tijd van de verschrikkingen is van alle dagen.
We kúnnen niet voorkomen dat er afgoden heersen in ons hart.
Dat is ons menselijk tekort dat meegegeven is met onze schepping.

Maar er is ons van God uit ook een diep verlangen meegegeven,
om ons aan Hem toe te vertrouwen i.p.v. aan onze geschapen afgoden.
Jezus opent onze ogen voor de keuze die wij hebben, als Hij zegt:
je kunt geen twee heren dienen, God en de afgod.
Het is de Ene of de ander – beide tegelijk zal niet gaan.

Ook in onze tijd heersen de afgoden, zoals de god van de economie.
Almachtig heerst hij en wij dienen hem, ook al willen dat wij niet.
Alleen de God van de Machten kan ons ervan bevrijden.
En dat zal Hij zeker doen,
Hij, wiens beloftevolle Naam is:
Ik ben met je, mijn wezen is er-wezen voor jullie.’

Keren wij ons naar Hem, staan wij naar Hem uit,
dan komen we Hem tegemoet die ons tegemoet komt.
en dan zullen we doorheen alles wat ons gegeven wordt,
met Hem worden verenigd in geloof, hoop en liefde.

Want Hij zal zeker komen – gelukkig maar,
in allen, waar ook ter wereld, in welke tijd ook,
om ons te maken tot zijn Mensenzoon,
tot ware mensen, die samen één lichaam vormen,
het lichaam van zijn Gezalfde,
het lichaam van Christus.


Pastor Leon Teubner

Pastor Leon Teubner

Pastoraal werker Leon Teubner is pastoraal werker bij onze parochie. Hij is tevens verbonden aan het wetenschappelijke Titus Brandsma Instituut in Nijmegen. Meer informatie »

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *