Het evangelieverhaal dat we zojuist gehoord hebben gaat over een blind vertrouwen, een blind geloof dat God zijn Naam waar zal maken, zijn Naam die is:

Mijn wezen is er-wezen voor jou.

Geloof of vertrouwen in God is geen eigenschap van onszelf, maar een gave van Hem uit die door ons ontvangen wil worden. Het vertrouwen van God uit gaat – als wij ons daaraan toevertrouwen –, een geheel eigen weg. Dat vertelt ons het verhaal van de blinde Bartimeus. Zijn verhaal brengt ons bij onze eigen ervaring: dat telkens als ons in het leven iets indringends overkomt, en ons doet stilvallen in verdriet, angst of wanhoop, dat we dan verblind kunnen raken. We raken verblind voor het geheel van de werkelijkheid, en raken gefixeerd op dat ene dat op ons afkomt. We vallen stil op onze weg, we weten de richting niet meer. Dan zitten we met Bartimeus langs de kant van de weg, teruggetrokken in onze mantels van angst, wanhoop enverdriet. We kunnen nog slechts God aanroepen en schreeuwen: 
Jezus, 
wiens Naam betekent: God redt 
Jezus, ontferm Je toch over mij.  
Dat is de primaire reactie van een gelovig mens wanneer diens vertrouwen het in hem begeeft. Het is een goede reactie, zegt het verhaal, want het roepen tot God brengt ons terug in beweging. Weliswaar nog steeds als een blinde, maar wel als een gelovige blinde, die zijn mantel van angst en wanhoop van zich kan werpen,  wanneer God, Jezus, het Licht van de wereld, hem in zijn roepen nabij komt. 
Want God is niet doof voor ons vertrouwvol roepen tot Hem. Het antwoord van God uit op de smeekbede van B. is: Kom maar – kom maar naar Mij die jou zo nabij ben. Want dat is mijn Naam, dat is mijn wezen: Ik ben er voor jou. Gods uitnodiging – kom maar – is als die van een moeder die met haar armen wijdopen haar kind tot lopen verlokt. Het geeft de blinde Bartimeus de kracht om op te springen en om blindelings naar Hem toe te gaan en Hem te vinden. Hij, die schreeuwt om ontferming, wordt in zijn bidden van God uit bekleedt met een blind vertrouwen in God. Dit hem geschonken goddelijke vertrouwen wekt in Bartimeus een sterk verlangen om leerling van Jezus, het Woord van God, te worden. Hij spreekt Hem aan met: Raboeni, mijn Meester,mijn leraar. Hier wordt een blindgelovige een leerling van Gods Woord. Niet langer nog zit Bartimeus langs de kant van de weg. Hij volgt nu het Licht van de wereld, het Woord van God, dat datgene in hem doet groeien wat hij werkelijk nodigheeft: het enige dat hem werkelijk doet zien: een diep vertrouwen in Gods Naam die belooft en waar maakt: Ik ben met je. Ook al begrijpen we niets van de weg die we moeten gaan. Gods wegen en gedachten zijn immers niet als de wegen en gedachten van ons mensen. Dat hoorden we zojuist in de woorden van de profeet Jesaja, waarin God vandaag tot ons spreekt: Ik leid blinden op een weg die zij niet voelen; over paden die zij niet kennen voer Ik hen. Vóór hun gelaat maak Ik duister tot licht en oneffenheden maak ik recht. God kan alleen maar blinden leiden, dat wil zeggen: gelovige mensen die beseffen dat ze ziende blind zijn. De blinden waarover God hier bij Jesaja spreekt, dat zijn die gelovige mensen, die zich elke dag willen toevertrouwen aan het gidsende Woord van God; die beseffen dat zij op hun weg met dat Woord zelf blindzijn, maar die zich durven toevertrouwen aan Zijn onbegrijpelijk gidsende hand. Dat zij dit doen is niet vanzelfsprekend. Want wij mensen zitten graag zelf achter het stuur en willen – soms kost wat kost – zelf onze weg bepalen. Tot wanhoop van God die ons elke dag aanroept: Besef toch, jullie blinden, om te gaan zien… Maar wie is er blind als mijn dienaar? Wie is blind als de volmaakte, Wie is blind als de dienaar des Heren? Als wij als gelovige mensen door het leven willen gaan, laten wij ons dan losmaken van dat wat ons verblind, van dat wat ons angstvallig maakt en wantrouwig op onze weg met God en met elkaar. Springen wij op uit dat alles, elke dag weer, en vragen wij God met Bartimeus: 
Raboeni, mijn Meester, dat ik zienmag met jouw ogen
Kijkend met Gods ogen zien we het leven niet langer vanonszelf uit. Dan beseffen we ook dat we niets zelf bezitten, materieel ofgeestelijk, maar zien we dat alles ons gegeven wordt als één geheel. Vandaag is het Fair-tradezondag. In het licht van het verhaal van de blinde Bartimeus begint fair-trade niet met het betalen een eerlijke prijs aan producenten in een derde of vierde wereld. Fair-trade vanuit Gods perspectief, begint bij het besef dat er maar één wereld is – Zijn wereld – die één geheel vormt. Een wereld waarin wij en alle mensen blind zijn en arm, om alles uit Gods hand te ontvangen en te delen met elkaar. Fair-trade is pas echt Fair-trade als het van God uit Fair-trade is. Hij nodigt ons vandaag uit om hier fier met lege handen voor Hem te komen staan, Kom allen en leef in het licht van mijn gunnende goedheid, die overvloedig stroomt en blijft stromen – altijd al. Fair-trade van God uit gezien betekent telkens weer reageren zoals Jezus deed t.a.v. Bartimeus, en zeggen: ‘Wat kan ik voor je doen’, niet wetend wat het antwoord zal zijn. Fair-trade van God uit gezien betekent: onszelf met lege handen aanbieden zoals Jezus deed, en zo God de ruimte bieden om ons te leiden op zijn weg , omdat Hij ook in ons tot gestalte wil komen, God, wiens Naam is: 
Mijn wezen is er wezen voor jou.

Categorieën: Overwegingen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *