Aangekomen zijn wij bij het graf van Jezus.

Jezus, wiens Naam betekent: God bevrijdt,

Jezus, het Woord van God,

het Woord dat God zelf was.

 

Met Jezus hebben wij dus God begraven.

Aangekomen zijn wij bij het graf van God.

 

God is dood, zegt onze moderne cultuur.

Na een eeuwenlange lijdensweg is Hij begraven.

Vastgepind in Godsbeelden en geloofsleer,

is Hij uiteindelijk bezweken en onder ons gestorven.

 

Hij heeft ten lange leste de Geest gegeven,

en bijna onmerkbaar is Hij uit ons midden verdwenen.

Wij hebben een mooi graf voor Hem uitgehouwen,

en er een zware steen voor gezet.

God is dood.

 

En toch klinkt hier het onwaarschijnlijke verhaal

van een leeg graf, waarvan de steen is verwijderd.

Een graf dat gevuld slechts is

met wat windselen en een hoofddoek.

 

Wij zijn erbij vandaag als toehoorders en toekijkers,

samen met Maria van Magdala,

met Petrus en met een andere leerling.

 

Hoe gaan zij om met deze dode God en dit lege graf?

Maria van Magdala komt niet dichtbij het graf.

In het duister van de morgen neemt zij op een afstand waar,

dat de zware sluitsteen van het graf is weggerold.

 

Hij is er niet meer, concludeert zij, deze God die dood is.

Maar waar is Hij dan wel?

Maria herinnert zich het beeld van haar God vóórdat Hij stierf.

Naar die God zoals zij die kende, verlangt zij terug.

 

Ze gaat weg en zegt tegen de leerlingen:

 

Ze hebben de Heer weggenomen

en we weten niet waar zij Hem hebben neergelegd.

 

Daarop snellen Petrus en een andere leerling naar het graf.

Het wordt lichter en de leerling die Jezus liefhad is er het eerst.

 

Hij komt al dichterbij het graf dan Maria.

Zo dichtbij dat Hij, neerbukkend, de windselen ziet

waarin men zijn God begraven heeft.

 

De windselen, dat zijn de achtergebleven omhullingen van God.

Dat zijn de beelden die wij van Hem maken.

Omhullingen waarin wij Hem behapbaar opbergen:

beelden van God die aansluiten bij ons begrip en onze logica.

 

God als Drie-eenheid, God als Vader, als rechtvaardige Rechter,

God als almachtige, als de Barmhartige, de Beminde…

De geliefde leerling werpt een blik op deze windselen

maar hij gaat het graf niet binnen om dit verder te onderzoeken.

Nog niet.

 

Petrus komt na hem aan en gaat weer een stap verder.

Hij gaat het graf binnen en ziet ook de hoofddoek

waarmee het gelaat van God bedekt is geweest.

 

Het gelaat van God is niet zijn gezicht,

maar het is de indruk die Hij in ons achterlaat

wanneer Hij ons even raakt met zijn aanwezigheid.

 

Maar met die achtergebleven indruk valt God niet samen.

In die zin laat ook de hoofddoek ons achter met lege handen.

God blijft dood.

 

Hij komt niet tot leven in onze beelden en verhalen en indrukken.

Want dat zijn allemaal gestolde, levenloze windselen en hoofddoeken.

Het zijn de sporen van God die alweer afwezig is, voorbijgegaan,

na zich even te hebben laten voelen in onze ervaring.

 

Is dat alles wat het lege graf ons te bieden heeft?

Nee, gelukkig is er nog meer.

Maar dat wordt niet expliciet verteld,

omdat het niet kan worden verteld,

behalve dan misschien in die paar woorden:

 

de geliefde leerling ziet en vertrouwt.

 

De geliefde leerling betreedt heeft nu ook het graf betreden.

Hij ziet … en hij vertrouwt, is alles wat het verhaal zegt.

De geliefde leerling ziet niet langer iets,

zoals windselen en een hoofddoek.

Nee, hij ziet – hij ziet in absolute zin, hij schouwt.

 

 

 

Voor hem is het graf van God even helemaal echt leeg,

omdat het geheel gevuld is met wat niet te zien is,

met datgene of diegene die geen beeld heeft,

met de Beeldloze, de Onzegbare, de Onzienlijke.

 

In deze leegte waaraan de geliefde leerling zich blootstelt,

wordt hij geheel vervuld met een onverwacht vertrouwen

in een ogenschijnlijk gestorven en begraven God.

 

Hij wordt a.h.w. even zelf het graf met de windselen

en de hoofddoek van deze dode en begraven God,

die op paradoxale wijze als een levend vertrouwen

in hem aanwezig komt.

 

Zo wordt deze geliefde leerling in navolging van zijn Meester

nu zelf een gestalte van God,

precies door zijn God in zijn hart te begraven.

 

Dat klinkt u misschien vreemd in de oren,

maar dat is wat we elke Goede Vrijdag horen,

in het slot van de Mattheus Passie.

 

Daarin klinkt de prachtige Aria: Mache dich, mein herze rein:

Vertaald klinkt er:

 

Maak jezelf, mijn hart, rein,

ik wil Jezus in mijzelf begraven.

Wereld vol beelden, ga weg, laat Jezus binnen!

Maak jezelf, mijn hart, rein,

ik wil Jezus in mijzelf begraven.

 

De geliefde leerling zag en vertrouwde.

Even was zijn hart leeg en gezuiverd

van de wereld van de Godsbeelden en de geloofswaarheden,

waarin zijn God niet tot leven komen kan.

 

In zijn ontlediging is God nu in hem gestorven en begraven,

en toch verrezen in die lege ruimte van zijn vertrouwen,

als een op afwezige wijze

toch aanwezige bron van ware liefde en eeuwig leven.

 

Dit mysterie zullen wij nooit kunnen begrijpen.

Het verhaal van Pasen nodigt ons uit

ons als geliefde leerling blind toe te vertrouwen

aan die ene God die ons altijd ontglippen zal

en wiens enige Naam is: Ik ben die Ik ben;

alleen zo ben Ik bevrijdend met jullie, alle dagen van jullie leven.

Categorieën: Overwegingen

Pastor Leon Teubner

Pastor Leon Teubner

Pastoraal werker Leon Teubner is pastoraal werker bij onze parochie. Hij is tevens verbonden aan het wetenschappelijke Titus Brandsma Instituut in Nijmegen. Meer informatie »

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *