Toen ik pas priester was en pastor werd in een parochie zei een wijze en oudere collega: “Tom, je krijgt geheid ruzie met de koren. Ze proberen je uit.”

Ik dacht toen dat het wel mee viel. Later wist ik wel beter. Het eerste conflict dat ik meemaakte was tussen de organist en de hulporganist. Het was het Hoogfeest van Christus Koning. Het feest werd nog heel triomfantelijk gevierd en onbekommerd zong iedereen nog: Aan u o Koning der eeuwen. Het volkslied van Rooms Nederland.

De hulporganist was die zondag aan de beurt en hij had goed geoefend op een voor hem moeilijke registratie. Bij de zin “hoe schateren hun zangen langs aard en luchtgebied” wilde hij alle trompet – en klarinetregisters open zetten. De organist echter zei: “Het is hoogfeest, dus vandaag speel ik”.

Hoe de hulporganist ook smeekte om toch te mogen spelen, het lukt hem niet. De eigenlijke organist wilde zelf al te graag ‘vol op het orgel’. Tot troost heb ik de hulporganist een fles wijn gebracht om die samen op te drinken. )

In de lezing van het evangelie kun je best  iets triomfantelijks zien: Christus die zich in hemelse heerlijkheid toont; vergezeld alle engelen, het hemelse engelenleger; Christus die zich neerzet op zijn troon en die met één gebaar van één hand de volken scheidt in schapen en bokken.

Zo kun je het zien: Christus, de Koning van het heelal, van de wereld, van de mensheid.  En wij, wij horen bij die Koning, wij delen in die heerlijkheid, wij zijn als christenen superieur, verheven boven alle mensen die niet van het katholiek geloof zijn.  Wij zijn vast en zeker deelgenoten van het hemels Koninkrijk waarvan de deur al vanaf eeuwigheid voor ons open staat. Met mooi klinkend orgelspel mogen wij er binnengaan! Althans, dat vonden we vroeger vanzelfsprekend. Maar klopt dat wel?

Ik denk wel dat wij dat beeld mogen vasthouden: als geloofsgemeenschap zijn wij een koninklijk volk.  Maar dat koningschap heeft niet de kleur van macht en van superioriteit. Het heeft de kleur van herderschap. De koning is als een herder.

De koning is herder zoals de profeet Ezechiël hem beschrijft en Psalm 23. Als wij Koninklijke mensen willen zijn met Christus, willen we dan ook herderlijk mensen zijn? Nu moeten we niet denken aan een liefelijk beeld van “De Heer is mijn herder en ik ben zijn schaapje”.  Het is natuurlijk niet verboden zo te denken. Maar het echte herdersbestaan is wel een stuk harder. Bij de profeet Ezechiël levert God kritiek op de leiders van het volk die de schapen verwaarlozen. De schapen zijn de kwetsbare mensen die door de leiders in de steek gelaten worden.  God zelf zal omzien naar zijn volk als de leiders het niet doen. De schapen zijn verstrooid, zijn op de vlucht geslagen, in de steek gelaten.  Zij zijn gewond geraakt en ziek geworden. Ze zijn onverzorgd en verwaarloosd.  De leiders hebben hun herderlijke taak niet ernstig genomen. Ze hebben aan de mensen die hun toevertrouwd waren geen recht gedaan; ze hebben de nood van mensen niet gezien; ze hebben gefaald dienaren van God te zijn die hen geroepen had.

Als koning Jezus komt dan maakt hij als een herder een scheiding tussen schapen en bokken.  De vraag van Jezus is: Mens, waar kan ik jou vinden? Wij lezen dit verhaal vaak als het laatste oordeel en we denken dan dat we al bij een groep zijn ingedeeld. Als je het zo leest, dan kan het verhaal angstvisioenen teweeg brengen. Alsof alles al vaststaat! We zijn allemaal weleens tekort geschoten. Zouden we dan allemaal aan de verkeerde kant staan? Ik denk eerder dat we het mogen lezen als een gewetensonderzoek.

Heb ik kwetsbare mensen gezien en heb ik hen toen geholpen? Zieken, hongerigen, vreemdelingen? Heb ik oog en hart gehad voor deze mensen? Natuurlijk heb ik niet de problemen van heel de wereld opgelost, maar heb ik herderlijke zorg gehad voor mensen die op mijn weg kwamen? Heb ik toen mijn hart laten spreken?  Ben ik goed geweest voor medemensen omdat het goede het enige was wat ik van binnenuit moest doen?

De Koning ziet dan dat wij belangeloos en zonder bijbedoelingen ons om een medemens bekommerd hebben. Je hebt het niet alleen namens Mij gedaan. Je hebt het voor Mij gedaan. Maar het kan ook zijn dat soms helpen uit een soort eigenbelang.

Ik ga graag naar zieken toe, want die zijn zo dankbaar. Dan heb ik een goed gevoel. We moeten alleen die vluchtelingen op nemen die voor ons economisch nuttig zijn. Daar hebben we wat aan! Ik neem af en toe wat mee voor de voedselbank, want dan heb ik wat minder schuldgevoel als ik iets duurs voor mezelf koop.   Dan zien we de kwetsbare mensen niet in hun nood, maar in ons voordeel. Dan zijn wij geen herderlijke mensen die het predicaat koninklijk verdienen. We hebben ons eigen tuintje verzorgd en ons eigen rijkje gebouwd. Maar als ik had geweten dat het Christus was die mij in de ander tegemoet komt……  dan doe ik alsof jou niet ken, zegt de Koning dan.

De vraag is niet wat en hoeveel en voor wie ik iets goeds gedaan heb.

De vraag is ook niet waarin ik allemaal tekortgeschoten ben.

De vraag is: wil ik op belangeloze wijze mens voor mijn medemensen in nood zijn? Niet omdat de ander voor mij nuttig is, maar omdat hij een mens is, kwetsbaar en hulpeloos.  Wij zijn geen mensen om christen te worden, om te delen in zijn triomfantelijke heerlijkheid. Misschien wordt ons dat wel geschonken.  Het is andersom. Wij zijn als christenen geroepen mens te zijn. Mensen die iets laten zien van de Goede Herder die ons allen leidt naar zijn Rijk.


Pastor Tom Buitendijk

Pastor Tom Buitendijk

Pastor Tom Buitendijk is pastor van onze parochie en is voorzitter van het parochiebestuur. Meer informatie en biografie »

0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *