We hoorden zojuist het bekende verhaal van de hoogmoedige farizeeër en de nederige tollenaar in de tempel. Jezus vertelt deze gelijkenis

met het oog op sommigen, die overtuigd van eigen gerechtigheid, de anderen minachtten.’

Een gelijkenis is geen feitelijke weergave van een gebeuren, maar een spiegel voor ons allen om ons bewust te worden, dat wij vaak beelden maken van onszelf en die verabsoluteren.

In een gelijkenis worden vaak twee uitersten geschetst. In dit geval een farizeeër die zichzelf op de borst klopt en een zondige tollenaar die berouwvol zijn schuld belijdt.

Het is niet de bedoeling om ons te identificeren met het ene of het andere uiterste, maar om tussen de twee polen heen en weer te bewegen en te voelen wat dit met ons doet.

De Farizeeer en de tollenaar zijn in feite twee uiterste kanten in onszelf. De farizeeër dankt God en is uitermate blij dat hij niet zo is als de tollenaar, die hij minacht. Hij houdt zich immers wel precies aan de wet en de geboden. Vergeleken met de zondige tollenaar voelt hij zich superieur.

‘God, ik dank u dat ik niet zo ben als de rest van de mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als die tollenaar daar.

De farizeeër staat in feite voor zijn eigen gelaat en niet voor het gelaat van God, waarvoor wel de tollenaar staat. Hij heeft zichzelf ervan overtuigd dat hij een rechtvaardige is, en niet behoort bij het zondige deel van de mensheid. Vanuit dit, door hemzélf ingebeelde verschil, minacht hij nu alle zondaars.

Het zelfbeeld van de farizeeër is uitermate positief, in tegenstelling tot het zelfbeeld van de tollenaar.

‘De tollenaar klopte zich op de borst, en zei: God wees mij, zondaar, genadig.’

Een gangbare uitleg van deze gelijkenis is nu, dat Jezus hiermee de hoogmoed farizeeër bekritiseert, om zo duidelijk te maken dat geen mens zonder zonden is. En dat je dus niet over jezelf en je naaste zal oordelen, of deze laatste minder zal achten ten gunste van jezelf. Dat zou dan moraal van het verhaal zijn.

Maar in deze gelijkenis is iets veel ernstigers aan de hand. Want we hoorden zojuist in de 1e lezing, dat ieder mens is geschapen in het beeld van God – in een beeld van God dat God van hem of haar heeft.

Laten Wij de mens maken in ons beeld, tot onze gelijkenis. En God schiep de mens in zijn beeld, in het beeld van God schiep Hij hem.

Dit beeld waarin God ieder van ons nu schept, is een beeld dat wij níet kennen. Het is immers een beeld van God uit, wiens gedachten niet onze gedachten zijn.

God zelf schept ons in zijn beeld tot zijn gelijkenis. Hij alleen is de maker en vervolmaker van dat beeld. Dat beeld is verborgen in het wezen van ieder van ons, een beeld waar wij zelf niet bij kunnen met onze zintuigen of met onze verbeeldingskracht.

Gelukkig maar, wij zouden het misvormen naar ons eigen beeld.

Wij mogen er gevoegelijk van uitgaan, dat al onze zelfbeelden en beelden die we maken van elkaar, menselijke beelden zijn – veranderlijk en vergankelijk. Beelden die niet samenvallen met het beeld dat God van ieder van ons heeft en die eeuwig zijn.

Daarom ook de waarschuwing van God in de 10 geboden:

Je zult geen godenbeelden maken, geen afbeelding van enig wezen boven in de hemel, beneden op de aarde of in de wateren onder de aarde.’

Maar dat is precies wat de farizeeër (die wij vaak zijn) tóch doet. Hij is niet met God, maar met zijn eigen zelfbeeld in gesprek. Met een beeld dat hij zélf maakt en in stand houdt.

De tollenaar daarentegen heeft ook een zelfbeeld – een negatief zelfbeeld, maar stelt zich nederig bloot aan het gelaat van God. Voor Gods blik houdt zijn eigen zelfbeeld geen stand. Elk zelfbeeld of beeld van een ander verdampt voor zijn gelaat. Er valt daar niets te vergelijken. God zelf heeft immers geen beeld. De tollenaar gaat gerechtvaardigd weer naar huis.

De diepere betekenis van deze gelijkenis van Jezus is:

telkens als wij, zoals deze farizeeër, vaste beelden maken van onszelf en van een ander, leven wij een leven ten dode. Want telkens als we ons oordelend vergelijken met een ander, stappen we uit het beeld van God waarin Hij ons en die ander schept. Dan vereindigen wij onszelf en elkaar, terwijl wij voor de eeuwige leven bedoeld zijn.

Paulus heeft de verwarring die wijzelf creëren, doordat wij beelden van onszelf en van elkaar in de plaats zetten van die van God, prachtig verwoord in een van zijn brieven:

‘Nu zien wij nog als door een spiegel, in raadselen, maar dán van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dán zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben.

Als wij nu met de tollenaar voor Gods gelaat durven gaan staan, en wel in het verborgen beeld dat God van ieder van ons heeft – dat beeld dus dat wij níet kennen – dan worden al onze zelfgecreëerde beelden door Hem vernietigd, om samen met elkaar weer een leven ten leven kunnen leven.

De oplossing van de gelijkenis van Jezus is eigenlijk heel simpel:

Hoor je jezelf weer eens de hemel in prijzen ten koste van een ander, besef dan dat God je probeert te keren tot Hem. Beweeg dan met Hem mee om tot vóór zijn gelaat te komen te staan, en zeg, door deemoed bewogen, wederom tegen Hem:

‘o God, vergeef mij en verzoen u weer met mij.

En gerechtvaardigd zullen wij terugkeren in zijn ogen.


Pastor Leon Teubner

Pastor Leon Teubner

Pastoraal werker Leon Teubner is pastoraal werker bij onze parochie. Hij is tevens verbonden aan het wetenschappelijke Titus Brandsma Instituut in Nijmegen.Meer informatie »

0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *