We hoorden Jezus zojuist in het Evangelieverhaal een, op het eerste gehoor, zeer bizarre uitspraak doen:

Als iemand tot Mij komt, die zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven niet haat, kan hij geen leerling van mij wezen.

 En ook:

Al wie niet zijn kruis draagt en achter Mij komt, is niet bij machte om leerling van mij te wezen.

De heftigheid van zijn uitspraken zit hem vooral in de woorden ‘haat’ en ‘kruis’: alsof wij haat-dragend zouden moeten zijn. Maar hoe kan Jezus ons nu vragen om onze dierbaren en zelfs onszelf te haten en die haat als kruis te dragen? Dat druist toch in tegen het grote liefdegebod dat hijzelf altijd predikte en met zijn leven voorleefde:

 Je zult de Heer je God liefhebben, en je naaste als jezelf!

Gelukkig heeft het Griekse woord, dat hier vertaald wordt met ‘haat’, nog andere, meer genuanceerde betekenissen. Het woord betekent ook: ‘niet willen’ en ook: ‘schuwen’. Dat maakt de tekst veel begrijpelijker in het licht van Jezus’ prediking.

‘Schuwen’ in de betekenis van ‘vermijden’ en ‘niet willen’, komt in onze taal nog het sterkst tot uitdrukking in de létterlijke betekenis van het woordje ‘veraf-schuwen.’ Jezelf, je familie en je naasten ‘haten’ heeft dan niet langer de sterk negatieve lading die het nu heeft, maar betekent veel neutraler: vermijden, ver blijven van, op afstand houden.

Dan betekent het niet dat je jezelf en je naasten letterlijk moet mijden, maar dat je in figuurlijke zin jezelf en je naasten niet als dé ultieme vervulling van je leven moet zoeken. Doe je dat wel, dan verlang je iets onmogelijks: van jezelf, van de ander, en van het leven zelf. In Jezus’ ogen kan ik mijn eigen leven noch dat van een ander zelf durend vervullen.

Alles en iedereen is immers vergankelijk en veranderlijk, zo leert ons de geschiedenis en is onze eigen ervaring. Ons durend vervullen, dat kan alleen God onze Vader, Hij die onvergankelijk en onvoorwaardelijk is.

Als iemand tot Mij komt, die zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven niet haat, kan hij geen leerling van mij wezen.

Op een ander moment zegt Jezus ditzelfde aldus tot zijn leerlingen:

Wie zijn vader of moeder liefheeft boven Mij, die is Mij niet waardig; en wie zijn zoon of dochter liefheeft boven Mij, die is Mij niet waardig.’

Daarmee zegt Jezus tot ons: Als je mijn leerling wilt wezen, dan zul je niets of niemand – ook jezelf niet -, belangrijker maken dan God. Want als je jezelf of een ander boven Mij stelt – een mensenzoon in wie God tot gestalte komt -, dan keer je je af van mij én van mijn Vader die ook jullie Vader is.

Leerling van Jezus worden wij steeds weer als wij in alles wat we doen en laten, ons proberen te richten op God. Precies dát houdt hij ook zijn eigen moeder, broers en zussen voor, wanneer hij op een ander moment tot hen zegt:

Mijn ware moeder en zusters-en-broeders zijn zij, die het spreken van God horen en doen!’

Het spreken van God horen en doen vraagt om een gerichtheid, die niet blijft steken bij jezelf en je naasten, en bij al wat is. Het gaat om een gerichtheid dóór alles en iedereen heen, die tastend de Bron aanvoelt van hun bestaan.

Jezus navolgen betekent: de gerichtheid op de God onze Vader niet verliezen in de relaties tot al onze dierbaren en tot onszelf, ja, in relatie met alles wat bestaat. Onze ervaring echter leert, dat het geenszins makkelijk is om elk moment van ons leven God in het vizier te houden. Want dat heeft tot gevolg dat we op een bepaalde manier onthecht raken aan onszelf en onze dierbaren en al wat is. En zo met legere handen en minder houvast komen te staan.

Maar dat heeft wel als wonderlijk gevolg, dat we dan pas wérkelijk alles en iedereen onvoorwaardelijk gaan liefhebben. Want gaandeweg verdwijnt meer en meer ons eigenbelang. Je stelt minder en minder voorwaarden aan jezelf en aan de ander.

Dát een leven lang inoefenen (want dat gaat niet in één keer) Precies dat is het opnemen en gaan dragen van je kruis. Het kruis dat je dagelijks aangereikt krijgt, dat is het leven zoals je op dat moment uit God gegeven wordt: met betrekking tot jezelf, je dierbaren, je naasten, en al wat is.

Daar primair ‘ja’ tegen zeggen, en dat geschonken leven niet meteen proberen naar je eigen hand te zetten, dat is het schuwen, het niet-willen waar Jezus op doelt. Dat is de ander en jezelf er eerst maar eens laten zijn, en deze niet onmiddellijk willen ge- of misbruiken voor jezelf, voor je eigen behoeften, visies en plannen.

Op God gericht blijven in je leven betekent de ander en jezelf gaan leren zien als ‘aan jou gegeven’, uit Gods hand, en ‘ten dienste van Zijn koninkrijk’, in plaats van het onze.

Dat dit steeds ook weer mislukt is onvermijdelijk en niet zo erg. Want we blijven desondanks ons leven lang uit Gods hand gegeven. en wel als onvolmaakte mensen, met al onze tekorten. Waar het om gaat is het beamen van ons eigen tekort en dat van de ander, en ons van daaruit te blijven richten op Góds werkzame aanwezigheid. Waarom? Opdat zijn wil kan geschieden – op zijn tijd en wijze.

Wat we dienen te schuwen, vermijden en niet-te-willen, is het zelf willen organiseren van ons eigen volmaakte koninkrijk. Onvermijdelijk echter zullen wij daarin steeds weer falen. Daarom draagt Jezus ons allemaal op: ‘vergeef jezelf en de ander in Godsnaam 70x7x7-maal als het weer eens niet gelukt is! En sta telkens weer op om Mij te volgen.’


Pastor Leon Teubner

Pastor Leon Teubner

Pastoraal werker Leon Teubner is pastoraal werker bij onze parochie. Hij is tevens verbonden aan het wetenschappelijke Titus Brandsma Instituut in Nijmegen.Meer informatie »

1 reactie

Avatar

Peter Lammers · 9 september 2019 op 18:55

Fijn Leon dat je een andere uitleg geeft aan het woord “haten”. Nu kan ik verder met dit evangelie. We hebben het gisteren in het Frans gehoord tijdens een KERMIS-MIS. Nu heb ik je overweging zitten lezen in Thonon les bains.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *