Overweging 26 07 2020     Gedachtenis van de Zalige Titus Brandsma

Op 15 juni 1942 staan voor de poort van de Kleefse ge­vangenis 32 politieke gevangenen klaar om de gevreesde tocht naar een van de concentratiekampen te beginnen. Titus Brandsma, de linkerpols geboeid aan de rechter van zijn lotgenoot dominee Johan Kapteyn, werd voor Dachau aangewezen.

Hij is de enige die lacht en met dankbare vriendelijkheid afscheid neemt van zijn verzorgers. Vicaris Deimel heeft hem vanmorgen de heilige communie gebracht en op slag was Titus over zijn depressie heen. “Wat zou me kunnen overko­men, nu Onze Lieve Heer zelf zo goed is me te vergezel­len?”

In de evangelielezing hoorden we over het Rijk God’s. Een schat verborgen in de aarde, de meest kostbare en fraaie parel die je hoe dan ook wilt bezitten. Waarmee gezegd wil zijn: dat men alles over moet hebben, om het Rijk der hemelen te verwerven. Zoals Jezus ons heeft voor gedaan. Zijn leven stond in het teken van dienstbaarheid.

Jezus komt de vervulling brengen van Wet en Profeten. Daarmee wordt  heel het Oude Testament bedoeld. Jezus verklaart dat het Oude Testament in het Nieuwe, niet zijn zin en betekenis verloren heeft, maar juist tot voltooiing komt. De liefde vervult de Wet.

Vandaag staan wij stil bij de 78e sterfdag van de zalige Titus Brandsma. Zo’n 25 jaar geleden starten we een karmel regel-leesgroep. Pater Constant die meedeed wist steeds op een boeiende wijze over Titus te vertellen. Ik werd er door geraakt en ging mij steeds meer in het leven van Titus verdiepen. Wat mij het meest aanspreekt in Titus is zijn eenvoud, zijn moed, vasthoudendheid en diepe geloof. Hij is de patroon van onze geloofsgemeenschap. Hier in Oss hebben wij een bijzondere verbondenheid met Titus. Nog heel jong, kwam hij op 11-jarige leeftijd naar Oss om in Megen aan het St.Antonius Gymnasium te gaan studeren.  Hij wist op te vallen door zijn goede verstand, ijver en doorzettingsvermogen. Ondanks zijn kwetsbare gezondheid nam hij geen genoegen met de middelmaat. Hij wilde priester worden, daarin zou zijn toekomst liggen, en daar ging hij voor.

Na zijn toetreden tot de Karmel studeerde Titus in Boxmeer, gevolgd door een periode in Zenderen en vervolgens aan het grootseminarie van de Karmel aan de Molenstraat in Oss. In de St.Jan in den Bosch werd hij in 1905 tot priester gewijd.

Na zijn studie in Rome werd hij docent aan het groot seminarie. Vanwege zijn bijzondere verering voor Maria, de Moeder Gods, werd het blad Carmelrozen opgericht. Kreeg de onregelmatig verschijnende krant De Stad Oss ondersteuning van de Karmel, waarbij Titus de grote animator en hoofdredacteur was.

Zijn inzet gebeurde niet alleen binnen het klooster. Er zou een algemeen toegankelijke bibliotheek, een school voor voortgezet onderwijs komen.

Een Heilig .Hartbeeld in het midden van de stad uit dankbaarheid voor zijn goede daden. Veel meer nog zijn de talloze persoonlijke contacten. Pater Titus: kunt u voor werk zorgen voor mijn man? Titus werd zelfs uit zijn gebed gehaald als er iemand aan de klooster poort stond. Na geluisterd te hebben, de bezoeker uitgeleide gedaan ging hij terug naar de kapel en vervolgde onverstoorbaar zijn gebed.

In het Tijdschrift ‘Van ons Geestelijk Erf’ schrijft Titus een commentaar op de “Evangelische Peerle”: een belangrijk Middeleeuws mystiek geschrift.Citaat TB: ‘Tot de diepste oorsprong moeten we gaan om in God onszelf terug te vinden. Daar, in het binnenste van onze ziel, komen we op de grond waarin ons wezen zijn wortels heeft. Op die grond, die niets anders is dan de erkenning van ons met God verbonden zijn, moeten wij leven; daar is ons vaderland, daar komen wij in het rijk van God dat ons is toegezegd en waartoe wij worden uitgenodigd, waar God ons een plaats heeft bereid, reeds hier op aarde’. Einde citaat.

In dit bewustzijn, dat God in ons woont, komen wij bij ons vaderland.Met andere woorden, dáár komen wij thuis, komen wij waar wij horen te zijn, bij die liefde waaruit wij zijn ontstaan en die ons heeft gewild.Het diepe besef dat God ons nooit verlaat, dat God en mens niet te scheiden zijn.

Daar is, volgens Titus Brandsma, het Rijk van God. Oh ja, ook Titus kende zijn beproevingen. Hoe vaak werd psalm 139 door hem gebeden? “Doorgrond mij, God, ken mijn hart, toets mij, weet mijn verborgen gedachten, zie – of niet mijn weg mij verkeerd leidt: wijs de weg van de eeuwigheid mij”.

In de moeilijkste omstandigheden heeft hij zich hieraan vast weten te houden. In de gevangenis in Scheveningen, in Kamp Amersfoort waar hij op Goede Vrijdag een zeer bemoedigende overweging hield.Tot in Dachau waar hij werd vernederd, geschopt en geslagen. Indachtig Paulus brief aan de Romeinen: Zegent hen die u vervolgen; ge moet hen zegenen in plaats van hen vervloeken. Door de eeuwen heen hebben de karmelieten de woorden van de profeet Elia herhaald en herhaald:

Ik heb vurig geijverd voor de Heer, de God der heerscharen’ (1 Kon19).Zo probeerde Titus ook daar – tot het laatst, iets goeds te zien in zijn bewakers en beulen.

Het rijk van God is wat het leven vervult, wat betekenis en in­houd geeft aan ons bestaan, wat richting geeft en aan ons hou­vast biedt.Het koninkrijk van de hemel – langzaam maar zeker komt het tot stand door liefde, wijsheid en gerechtig­heid.

Liefde, want wie liefde geeft, zal haar ook ontvan­gen.

Wijsheid, want wie wijs is, zal bescheiden zijn in het besef hoe weinig hij weet. Hij zal lijken op koning Salomo die bidt om een opmerkzame geest, opdat hij onderscheid kan maken tussen goed en kwaad. En ge­rechtigheid, want wie rechten heeft, heeft ook plichten.

Rechtdoen aan anderen is uiteindelijk recht doen aan jezelf. Door liefde, wijsheid en gerechtigheid komt het konink­rijk van de hemel tot stand, langzaam maar zeker. Zo worden wij mensen naar Gods hart, en komt God aan­wezig in ons midden. Laten wij bidden dat Titus op onze levensweg ons tot voorspraak mag zijn.

Johan Wagemakers


0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *