Antoon Jurgens is de zoon van boterhandelaar Wilhelminus Jurgens (1780-1836). Hij bouwt het bedrijf van zijn vader verder uit. Van 1844 tot 1850 is hij lid van de gemeenteraad in Oss. Ook is hij president van het armenbestuur en gedurende 25 jaar lid van het katholieke kerkbestuur. Hij betaalt onder meer mee aan de inrichting van de Grote Kerk en in 1876 schenkt hij een nieuw hoofdaltaar.

Antoon en zijn vrouw Johanna Lemmens krijgen vijf kinderen waarvan drie zonen, Jan (Johannes Arnoldus, 1835-1913),  Henri (Henricus Leonardus, 1840-1888) en Willem (Wilhelmus Johannes, 1844-1881). Het gezin van Jan Jurgens en zijn vrouw Josina Jansen (1850-1903) gaan in een villa aan de Molenstraat wonen, op de hoek waar het  huidige Titus Brandsma Lyceum is gelegen.

In mei 1871 krijgt Jan Jurgens een monster kunstboter van de Bossche broers Cordeweener die kapitaal zoeken om dat fabrieksmatig te gaan maken. Jan besluit direct om met de broers Cordeweener en hun Brusselse zwager Peeters naar het door de Duits-Franse oorlog aangeslagen Parijs te gaan. Daar bezochten zij de Franse scheikundige Hippolyte Mège Mouriès die twee jaar daarvoor in opdracht van Napoleon III een ‘kunstboter’ had ontwikkeld op basis van zogenaamde oleo-margarine die uit gesmolten rundvet werd bereid. Al in datzelfde jaar start Jurgens met hun Bosche partners De Bossche de fabriek Cordeweener & Cie. Drie jaar werd er hard in deze fabriek gewerkt maar loopt men tegen het probleem aan dat er te weinig grondstoffen waren om aan de groeiende vraag te voldoen. Omdat er geen grote slachterijen in de buurt om aan het rundsvet te komen trok Jurgens door heel Europa en benaderde alle abbatoirs. Nog was het te weinig en daarom gebruikte Jurgens vanaf 1885 voortaan katoenzaadolie uit de Verenigde Staten.

Op 25 april 1876 richt Antoon Jurgens samen met zijn zoons Jan, Hendrikus en Arnoldus de vennootschap Antoon Jurgens op bij notaris Simon Petrus Bijvoet te Berghem met een looptijd van vijftien jaar tot 14 mei 1882. De firma die dan 10 man personeel heeft koopt boter op in onder meer het Land van Cuijk, Eindhoven, Limburg en Krefeld, maar ook in Zuid-Duitsland en Oostenrijk.

In juli 1879 krijgt Antoon Jurgens van de regering het recht voor de aanleg en het gebruik van een stoomtramweg voor goederenvervoer vanaf de Maas in Lithoijen tot aan Oss, waarvan de kosten werden geraamd op 80.000 gulden. Hij laat de bedrijfsvoering rond die tijd voornamelijk over aan zijn drie zoons, en beheert nog wel hun boerderijen en is mede-eigenaar van de gasfabriek in Oss.

In Nederland bestond tot 1910 geen octrooiwetgeving, in tegenstelling tot de omliggende landen. Het verhaal in de Jurgens-overlevering dat Jan Jurgens het octrooi van Mège Mouriès in 1871 heeft gekocht is dan ook niet waar; waarschijnlijk heeft hij alleen betaald voor een demonstratie van het procédé en daarmee voor de overdracht van kennis. Daarom kon Jurgens zich met succes verdedigen tegen de beschuldiging inbreuk te hebben gemaakt op het Britse Mège Mouriès-octrooi tijdens een langdurig proces (1881-1883) in Groot-Brittannië.

Bronnen:

Categorieën: Geen categorie