Joannes Zwijsen wordt geboren op 28 augustus 1794 in Kerkdriel als eerste van 10 kinderen van een molenaarsgezin. De molenaar had van zijn vorige gestorven vrouw ook drie kinderen. Het is de periode van de Bataafse Republiek en het Franse keizerrijk, toen er nog geen Nederlandse bisdommen waren en er tussen de Hollanders en Fransen volop in Noord-Brabant gevochten werd.

Statieportret van Johannes Zwijsen

Op z’n twaalde moet hij naar de Franse School in Reek, een kostschool die een soort voorloper van het vmbo was. Hij loopt daar twee keer weg, maar wordt telkens door zijn vader teruggebracht. Dan volgt hij het traject dat tot priesterwijding moet leiden en in die tijd gebruikelijk was; eerst naar de Latijnse School (voorloper van het gymnasium), in Uden van 1808 tot 1810 en daarna in Helmond van 1810 tot 1813, en hij gaat studeren van 1813 tot 1817 aan het grootseminarie van Herlaer in Sint-Michielsgestel.

Pastoor van ’t Heike in Tilburg

Zijn werk als pastoor begin hij in de parochie van ’t Heike (de Sint-Dionysiusparochie) in Tilburg. Daarna wordt hij kapelaan in Schijndel, en in 1828 pastoor in Best. Daar laat hij zien naast zachtmoedig inderdaad ook ‘sterk’ op te kunnen treden toen hij de discipline bij het kerkkoor streng aanpakte.

In 1829 houdt hij op eigen initiatief een toespraak voor koning Willem II die hem daardoor in zijn koets uitnodigt. Dat levert een bijzondere en nauwe vriendschap op die duurt tot het overlijden van de koning in 1849. De vriendschap zal grote gevolgen hebben voor de positie en acceptatie van de katholieke kerk in Nederland, en van die voor het (protestantse) koningshuis in (katholiek) Brabant. Zo bereiden de twee samen met Thorbecke de  scheiding tussen kerk en staat in de Grondwet voor.

In 1832 wordt Zwijsen pastoor van ’t Heike, waar veel arme textielarbeiders wonen. Meer nog dan in Best wordt Zwijsen in Tilburg getroffen door de armzalige omstandigheden van de bevolking. Ze hebben amper onderwijsvoorzieningen, en van armenzorg of verpleging was geen sprake. Hij zoekt naar een manier om dat te verbeteren en sticht daarim in 1832 de congregatie van de Zusters van Onze Lieve Vrouw van Barmhartigheid stichtte, ook wel de Zusters van Liefde genoemd. Hij schrijft daarover:

“Ik had niets anders op het oog dan het oprichten eener school, waarin de arme kinderen zouden onderwezen worden in lezen, schrijven, naaien en breien.”

Dat lukte en de congregatie groeit enorm; toen hij in 1877 overleed, waren er vestigingen op 76 plaatsen in binnen- en buitenland op de gebieden van onderwijs, ziekenverzorging, bejaardenzorg en de zorg voor weeskinderen. Zo ook in Oss waar zij het ziekenhuis St. Anna oprichten (het latere Bernhoven), voor de ouderzorg het Sint Leonardus Gesticht (later Vita Nova, nu De Wellen van Brabant Zorg),  en het onderwijs (MMS Regina Mundi, het huidige Maasland College van OMO, de  huishoudschool mgr. Zwijsen, uiteindelijk onderdeel geworden van Het Hooghuis locatie Oss Zuid/Oss West van Stichting Carmelcollege). Bijzonder is dat hij aandacht bleef besteden aan de sociale nood, zonder te werken aan de oorzaak daarvan (TODO?).

Bisschop zonder bisdom

Op 17 april 1842 ontvangt Joannes Zwijsen de titel bisschop. Maar omdat er in Nederland tot 1853 geen katholiek kerkelijk bestuur was toegestaan, werd hem een symbolische “missie”-bisdom toegekend; dat van Gerra, een andere naam voor Egypte. Bij zijn benoeming hoorde ook het recht van opvolging van de bisschop van het voorlopige bisdom Den Bosch.

In diezelfde periode sticht Zwijsen een congregatie van mannelijke religieuzen, speciaal gericht op de opvoeding en het onderwijs van achtergestelde kinderen. Net als de door hem gestichte zustercongregatie wijdde hij de broeders toe aan Onze Lieve Vrouw van de Barmhartigheid. De broedercongregatie werd bekend onder de naam Fraters van Tilburg.

Omdat hij heel goede contacten had met het voorlopige kerkelijke bestuur, koning Willem II en de Nederlandse minister van Katholieke Eredienst wordt hij in 1847 door de paus benoemd tot tijdelijke bestuurder van katholiek Nederland en daarmee de leidinggevende van alle tijdelijke bisschoppen.

Op 13 oktober 1851 overlijdt zijn voorganger monseigneur Den Dubbelden en wordt Joannes Zwijsen de bisschop van het voorlopige bisdom ‘s-Hertogenbosch (officieel: apostolische vicaris van ‘s-Hertogenbosch).

Met het concordaat dat paus Leo XII in 1827 met koning Willem I had gesloten, begonnen de plannen om de bisschoppelijk hiërarchie in Nederland te herstellen. Koning Willem II, die de katholieken goed gezind was, besloot de gesprekken met Rome hierover te intensiveren. Op 4 maart 1853 werd het herstel van de hiërarchie een feit met de pauselijke bul Ex qua die arcano. Daarmee werd het apostolisch vicariaat van ‘s-Hertogenbosch verheven tot bisdom. De apostolische administrator van dit nieuwe diocees werd Zwijsen. Hij werd geen diocesaan bisschop van Den Bosch, omdat de paus hem ook had benoemd tot hoofd van het nieuwe aartsbisdom Utrecht.

Aartsbisschop van Utrecht

Zwijsen was niet blij met zijn benoeming. Als het aan hem had gelegen dan was Utrecht geen aartsbisdom geworden maar ‘s-Hertogenbosch. De paus besliste anders en wees Zwijsen aan als metropoliet van Utrecht. Zwijsen gehoorzaamde. Op 21 april 1853 nam hij bezit van de aartsbisschoppelijke zetel. Zwijsen was daarbij niet zelf in Utrecht aanwezig. Hij vond het vanwege de politieke crisis die door het herstel van de kerkelijke hiërarchie was ontstaan, verstandiger zich te laten vertegenwoordigen door zijn secretaris. Op 7 november 1853 legde bisschop Joannes van Hooydonk van Breda namens de paus hem in grootseminarie Bovendonk te Hoeven het pallium op, het teken van metropolitane waardigheid en aanhankelijkheid aan de Heilige Stoel.

Huize Gerra

Zwijsen mocht zich van de regering niet in zijn residentiestad Utrecht vestigen. Hij liet daarom in Noord-Brabant een huis voor zichzelf bouwen. Het bevond zich tussen Den Bosch en Tilburg, bij het grootseminarie in Haaren. De woning noemde hij Huize Gerra, naar de naam van zijn titulair bisdom.

Krachtig bestuurder

Het aartsbisdom Utrecht omvatte de provincies Gelderland boven de Waal, Utrecht, Overijssel, Drenthe, Friesland en Groningen. Zwijsen nam de organisatie van het nieuwe aartsdiocees krachtig ter hand. Hij stichtte parochies en richtte dekenaten op. In 1857 richtte hij het aartsdiocesaan grootseminarie Rijsenburg op. Zwijsens biograaf Jan Peijnenburg (1996) schreef dat “hij tegenover zijn priesters strèng èn met veel begrip optrad”; “Inzake liturgie en vroomheid, met name als het gaat over de sacramenten van biecht en huwelijk, ontmoeten we een wettische man, soms zelfs op het scrupuleuze af.”

Mysterieuze moordaanslag

In de nacht van 14 op 15 juli 1863 vond in Huize Gerra een moordaanslag op de aartsbisschop plaats. Zwijsen werd badend in het bloed aangetroffen, met een kogel in zijn lichaam. Ook was er 5.000 gulden gestolen. De zaak is nooit opgelost. De aartsbisschop herstelde snel en vestigde zich voorlopig in het Fraterhuis in Tilburg. De aanslag is mogelijk de aanleiding geweest voor Zwijsens verhuizing naar Den Bosch. Op 14 maart 1864 kocht hij een herenhuis in de Peperstraat, dat nog steeds dienst doet als bisschoppelijk paleis.

Provinciaal Concilie

In 1865 presideerde aartsbisschop Zwijsen het Provinciaal Concilie, gehouden in de Sint-Janskathedraal in ‘s-Hertogenbosch. Dit concilie beoogde de strakke ordening van de Nederlandse kerkprovincie en de emancipatie van het katholieke volksdeel. De kerkelijke doctrine werd nauwelijks tot niet besproken. Veel aandacht werd er besteed aan de organisatie van de catechese.

Concilievader Vaticanum I

Als voorzitter van het Nederlandse episcopaat had Zwijsen grote invloed bij de bisschopsbenoemingen door de paus. Rome bezocht hij driemaal: in 1854 bij de afkondiging van het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis, in 1862 toen hij regelde dat Andreas Schaepman zijn opvolger zou worden, en in 1870 bij het Eerste Vaticaans Concilie.

Bisschop van Den Bosch

Begin 1868 verzocht Zwijsen de paus hem te ontslaan van het zware ambt van aartsbisschop. Op 4 februari 1868 verleende Pius IX hem eervol ontslag als aartsbisschop van Utrecht; tegelijk benoemde de paus hem tot diocesaan bisschop van ‘s-Hertogenbosch, waarvan hij al sinds 1853 de administrator was. Hij droeg de titel aartsbisschop-bisschop. Tot het laatst toe heeft hij krachtig leiding gegeven aan het bestuur van zijn thuisbisdom.

Bronnen



Categorieën: Geen categorie